Bron Bibliotheek Vrije Universiteit Amsterdam, Collectie: Bos. (VUA XW.00295)
1r

Nieuwe-Iaer-Spel
Ghenaemt
Den Godtsaligen yver/
By de Oude Camer der Stadt
Gouda op den Jare 1614. verthoont
ende gheageert door de na genomi-
neerde Personagien.
Ghemeen Ambachts-lieden.
‘tVarent volck.
Godtsalighen yver.
Neringhe.
Tot troost ende stichtelijcke vermaninghe der
ghener die sich bedroeven ende quellen inde sobere
neringhe / segghende datselvighe uyt het
Bestant voort te comen.
Ghedruckt ter Goude by Iasper Tournay.
Ende men vindtse te coop bij Andries Burier. 1614.
Nieuwjaarsspel
Getiteld
Vurig geloof
Door de Oude Kamer van de stad Gouda
op het jaar 1614
vertoond en gespeeld door de hierna genoemde personages:
De ambachtslieden.
Het scheepsvolk.
Vurig geloof.
Winkelier.
Tot troost en stichtelijke aansporing van de mensen die bedroefd zijn en somberen over de armzalige toestand van onze handel en die zeggen dat deze het gevolg is van het Twaalfjarig Bestand.
Gedrukt in Gouda door Jasper Tournay.
En te koop bij Andries Burier, 1614.
2r

Nieuwe-Iaer-Spel,
By d’Oude Camer der Stadt Gouda
op den Jare 1614.
Ghemeen Ambachts-lieden.
OCh lacen/ och arm/ noyt swaerder ellenden/
Noyt meerder misery / sich t’onswaert wenden/
Wantmen aen allen enden//niet hoort dan groot geklagh
Dies verfoeye ick nu/ de ure ende dagh
Op welcke men my sagh// hier ter werelt gheboren.
Varent-volck.
En ick woud’ datmen my/ doen/ hadde doen versmoren
Als het woordt quam te voren// een knechtken is ghebaert
Ben ick ghecomen hier toe en dus langh ghespaert
Dat de gantsch doode vaert// my verderft inden grondt?
O of mijn Vader my/ als hy my sagh en vondt
Gheleydt hadt op den mondt// een kussen dat waer goedt.
O waerom hebdy niet/ghy oorlogh wreet verwoedt
Met u swaert roodt van bloedt//my ’tleven lang’ benomen?
Och of de zee turblent/ door haer pruyssende stromen
My met ‘tschip hadd’ doen comen//teghens Clip cleyn of groot
En alsoo aenghetast/ dat stracks de felle doodt
Hadd’ ghedaen haer exploot// en my gheruckt van hier
En my alsoo ontlast/van droefheydt en dangier
Want anders gheen manier//sie ick hier toe te vinden.
Ghemeen.
Waerom liet my de Heer/die my eer ik hem minden
In ’smoeders lijf verslinden//ende verdwijnen niet?
Och of my nimmer oogh’ /en hadde ghesien/siet
Soo soud’ ick dit verdriet// dat door des neringhs derven
Ons meest al overcomt/in gheener wijs beerven
Noch duysent dooden sterven// midts de becommertheydt
Noch wasschen ’t bedd’ onsacht/ met tranen veel gheschreydt
En ghelijck David seydt// het broot der droefheyt eeten.
Varent.
Ja waer ick inden dop/ verdelghen of verbeten
Soo soud’ ick oock niet weten//van dees benouden tijdt.
Nu patienty perforts/ick wil sonder respijt
Met herten onverblijdt// ander plaetse gaen soecken
By avontuer oft my/ daer tot mijnen verkloecken
Mochte ghelucken bet// alst andere wel dede.
Nieuwjaarsspel
door de Oude Kamer van de stad Gouda
op het jaar 1614.
De ambachtslieden
Ach helaas, ach hemel, ons trof nooit zwaardere ellende, nooit grotere misère! Want overal hoort men niet anders dan veel geklaag. Ik verfoei daarom nu de tijd en de dag waarop ik geboren werd.
Het scheepsvolk
En ik zou willen dat men mij had gesmoord toen werd gezegd: ‘Het is een jongetje’. Ben ik dan tot hier gekomen en ben ik zo lang gespaard gebleven om bij mijn laatste vaart te gronde te gaan? O, had mijn vader maar, toen hij mij zag, een kussen op mijn mond gedrukt. Dat zou goed geweest zijn. O, wreed woedende oorlog, waarom hebt u mij niet allang met uw roodbebloed zwaard het leven ontnomen? Ach, had de kolkende zee met haar schuimende stromen mijn schip maar op een kleine of grote klip laten varen en zozeer beschadigd, dat de felle dood meteen haar werk had gedaan en mij van hier had weggerukt; het had mij verdriet en gevaar bespaard, want ik zou anders niet weten hoe hier uit te komen.
De ambachtslieden
Waarom liet de Heer mij niet voordat ik Hem kon liefhebben, in de buik van mijn moeder wegkwijnen? Och, had niemand mij maar ooit gezien! Dan zou al deze ellende die ons vooral overkomt door de economische malaise, geenszins mijn erfdeel zijn geworden. Begrijpt u? Ik zou geen duizend doden sterven door diepe zorgen. Ik zou mijn harde bed niet nat maken met al mijn tranen, en niet, zoals David zegt, van het brood der smarten proeven.
Het scheepsvolk
Ja, was ik maar voor mijn geboorte verdelgd en doodgebeten, dan zou ik niet hebben geweten van deze beklemmende tijd! Geduld, verdorie! Ik wil zonder dralen maar met een treurig gemoed een andere plaats gaan zoeken in de hoop dat het mij daar beter zal lukken, zoals dat ook bij anderen gebeurde, en ik zo weer moed kan vatten.
2v

Ghemeen.
Vriendt wist ik uwen naem/ick gingh lichtelijck mede
Dat seggh ik u alrede//‘tgheeft noodt om te vervaten
Ick met mijn gantsch ghesinn’/ sitten t’ onser onbaten
Als de Havens verlaten//heel treurigh en eenzaem
Hierom seer goede vriendt/ ontdeckt doch uwen naem
Is sy nut en bequaem// met u wil ick op weghen.
Varent.
Mijn naem is Varent-volck/ verstaet het doch te deghen
En zijt ghy oock gheneghen// te reysen gheeft de handt.
Ghemeen.
Neemt dat beloof ick u/en gae wat aen d’een cant
Beschicken met verstant// huysraet en ander dinghen.
Varent.
Ondertusschen sal ick/ dat t’ schip behoort/ ’tscheep bringhen
Wilt wat haest herwaerts dringhen//volcomende u temen/
Dat wy int nieuwe Iaer, ‘tGhetye wel waer nemen.
Pause I.
Nieuw-jaer ghedicht Anno 1614.
Op de voys:
Reden die prijst / etc.
I.
GHy maeckt gheclagh//volckeren over den tijdt
Der benautheydt// en blijft booslijck ghenegen/
Sonder verdragh// comt ende met ons belijdt
Dat schiedt dit leydt// van uwer sonden weghen/
En met versleghen// herten wandelt eerbaer/
Door druck//gheluck//krijghdy ten seghen/
Lieft Godt/ lieft Godt/ lieft Godt/ in ’t nieuwe Jaer.
Varent-volck.
GAntsch selten wat sal my/ peys ick vast hier ghebeuren?
Hoe/ soud’ dees quant my wel/bespot stellen ter leuren?
Ick woud’ de beuyen scheuren// daer quam of datter quam.
De ambachtslieden
Beste man, wist ik wie u was, dan ging ik zo met u mee. Ik zeg u alvast dit: u moet begrijpen, ik zit hier met mijn hele huishouden zonder inkomsten, net als de verlaten havens, heel treurig en eenzaam. Vertel me daarom toch, wie u bent, mijn beste man! Als uw naam vertrouwen inboezemt, dan wil ik met u op pad.
Het scheepsvolk
Mijn naam is Scheepsvolk, laat dat goed tot u doordringen, en wilt u daadwerkelijk meereizen, schud me dan de hand!
De ambachtslieden
Aangenomen, we hebben een afspraak! Ik zal met inzicht mijn huisraad en andere zaken bij elkaar zetten.
Het scheepsvolk
Ondertussen zal ik alles wat er voor het schip nodig is, aan boord brengen. Maak een beetje voort en houd op met uw getreuzel, zodat we in het nieuwe jaar mogen profiteren van een gunstig tij!
Eerste pauze
Nieuwjaarsgedicht op 1614 op de melodie van ‘Reden die prijst, enz.‘ [1]
1. [2]
Jullie klagen, mensen, over de tijden
van nood en blijven in boosheid steken.
Kom nu meteen en belijdt met ons
dat dit leed geschiedt door uw zondig leven
en gedraag u nederig en eerbaar in
troebele tijden, dan wordt u gezegend met geluk.
Houd van God, houd van God, houd van God, in het nieuwe jaar!
Het scheepsvolk
Snotverdorie[3], ik vraag me af, wat zal me nu overkomen? Zou deze vent me voor de gek houden en een loer draaien? Ik wou maar dat de bui losbrak, wat er ook van komt.[4]
[1] Volgens de Liederenbank een veel gebruikte bekende melodie die helaas niet is overgeleverd.
[2] De volgende 7 regels zijn het 1e couplet van een lied.
[3] In het origineel staat ‘gantsch selten’. Dit is een verbasterde vloek. De spreker neemt de ernst van de vloek weg door de bewoording te verzachten. Op dezelfde manier zeggen wij ‘verdorie’ in plaats van ‘godverdomme’ of ‘godverdorie’.
[4] In het origineel lijkt sprake van een idiomatische uitdrukking die figuurlijk zoiets betekent als: ‘laat de waarheid maar blijken’.
3r

Ghemeen.
Zijdy ghereedt schipper?
Varent.
Wel over een groot uer/ treedt voort mijn lieve stam/
Want ick werde schier gram//dat ghy’t dus langhe maeckt.
Ghemeen.
Ick gheloove dat wel/want schorft is haest gheraeckt/
Dat is dickwils ghesmaeckt//aen menighen kroes-kop.
Varent.
Tsa/tsa dat is alleens/ voort/ voort ey goede Job/
’t Zeyl staet al inden top// wilt niet te rugghe wijcken.
Ghemeen.
Ombeydt ick moet noch eens// ‘tschoon landsdouw overkijcken/
Tranen vand’ ooghen strijcken//en maecken daer meed’ nat.
Is dit ‘tvolwenschte werck/ waerom een yder badt
In Dorpen ende Stadt/met duysenden om ropen? [[1]]
Varent.
Is dit de gulden eeuw’ / waerom men soo gingh lopen
En troostelijck gingh hopen//het is de helsche plaegh/
Ick wouds’ in’t diepst der Zee/ongrondigh en diep laegh/
Ofte dat ickse zaegh// bannen op de Galeye.
Ghemeen.
En ick woud’ datse stondt/ op de Hoboker heye/
Of op de ruyme weye//in Charons swerte schuyt.
Godtsalighen.
Hoe zijt ghy dus ontroert/hoe breeckt ghylien dus uyt?
Ick bidde u/beduydt// my d’oorsaeck van ’t ghedruys.
Ghemeen.
Maer Neringh en welvaert/verlaten ‘tsaem ons huys/
Dus werden wy confuys//door d’onghewoon armoede/
En zijn gheresolveert/dat sweer ick by gantsch bloede
Te verreysen met spoede//na ander plaets en vlecken.
Godtsalighen yver.
Och/och/waer wilt ghy heen/daer ghy Godt sult ontrecken/
Hoort eens ick sal’t ontdecken// luystert nae ’t woort des Heeren/
Ick heb u (seydt hy) volck/ ghesocht met groot begheeren/ [[2]]
Ende tot mijnder eeren//een vruchtbaer landt om woonen
Versorghet en bereyt/ ghebracht ick sal ’t bethoonen/
Daer/daer t’uwen verschoonen// wast in groot overvloet
Coren/ Olye/ en Wijn/Melck ende Heunigh soet/
Meer ander dinghen goet// gingh hy u oock verleenen/
Goudt/ Silver/ Peerlen reyn/ en ander dierbaer steenen/
Zijde sluyers met eenen//fijn Lijnwaet daer en boven/
[1] [Godtsaligen
yver uyt.] in de marge
[2] [Ezec. 16.9.] in de marge
De ambachtslieden
Bent u er klaar voor, schipper?
Het scheepsvolk
Ja, over ruim een uur. Maak voort, vadertje, want ik word haast chagrijnig, omdat u er zolang over doet.
De ambachtslieden
Dat geloof ik graag, want een driftkop raak je makkelijk op een zere plek. Dat komt vaker voor.
Het scheepsvolk
Kom op, zeg! Zo is het wel genoeg. Schiet maar op mijn beste Job. Het zeil is al gehesen. Nu geen geaarzel meer!
De ambachtslieden
Wacht, ik wil nog één keer over mijn mooie land kijken en de tranen uit mijn ogen vegen. Mijn gezicht wordt helemaal nat. Moet dit de uitkomst zijn waar iedereen om heeft gebeden in dorpen en in steden en waar duizenden om roepen? [[1]]
Het scheepsvolk
Is dit De Gouden Eeuw waar iedereen zo warm voor liep en heil van verwachtte? Het is een helse plaag, die voor mij mag zinken in de allerdiepste zee. Ik zag hem het liefst verbannen naar de galeien.
De ambachtslieden
En van mij mag hij op de Hobokense hei[2] staan of ruim voor de wind gaan in Charons[3] zwarte schip.
Vurig geloof
Wat een opgewondenheid! Waarom gaan jullie zo luid tekeer? Vertel me alsjeblieft, wat de oorzaak is van de ophef.
De ambachtslieden
Nou, handel en welvaart verlaten allebei ons huis. Daarom zijn wij radeloos, vanwege de uitzonderlijke armoede - en wij hebben besloten - ik zweer het op mijn familie[4] - om af te reizen naar elders.
Vurig geloof
Mijn hemel, waar wilt u heen? Waar wilt u zich voor God verbergen? Luister, ik zal u iets duidelijk maken. Luister naar Gods woord. Mijn volk, zegt Hij, Ik heb u gezocht met groot verlangen [[5]] en heb voor u en te Mijner ere een vruchtbaar land om in te wonen, klaargemaakt en ingericht. Ik zal het u laten zien. Daar vindt u als beloning in grote overvloed koren, olie, en wijn, melk en zoete honing. Nog veel meer moois wil Hij jullie schenken: goud, zilver, zuivere paarlen en andere kostbare stenen, zijden sluiers en fijne linnen stoffen bovendien.
[1] [Vurig geloof komt op.] in de marge
[2] De Hobokense hei ligt ergens tussen Bergen op Zoom en Antwerpen. Hier werd op het eind van de zestiende eeuw verschillende keren zwaar strijd geleverd.
[3] Charon is de veerman die in de onderwereld de doden overzet naar het land der schimmen.
[4] In het origineel zweert de spreker bij “gantsch bloede”. Dit is ook weer een verbasterde vloek waarin het woord ‘god’ is vervangen door ‘gantsch’ zodat er niet meer echt gevloekt wordt.
[5] [Ezechiël 16.9] in de marge
3v

‘tEvangelische woordt/dat alles can verdoven/
s’Ghelijcks het vry gheloven//tot een eeuwigh erfdeel/
En dat noch meerder is/ hy heeft duysenden veel
Om u door een Hooft eel// verworpen t’eenen mael/
En ‘tswaert der Tyranny/ scherpsnedigh hert van stael/
Dat menigh maeckten cael// voor u voeten ghebroken/
Ghedwonghen tot bestandt/die vreemt vyer ginghen stoken/
Hy heeft u leedt ghewroken// als een rechtvaerdigh Godt/
En dit al om dat ghy/ soudt houden sijn Ghebodt:
Maer hebt als dul en sot// ‘tminste niet aenghetoghen/
Noch oock gheen danckbaerheyt/ bethoonet voor sijn ooghen/
Maer voor de waerheyt loghen// duysentwerven bewesen/
Waerschouwende u noch/ met een cleyn / om doen vresen/
Ende zijt ghy in desen// dus grammelijck ontstelt/
Hoe veel te meer sal hem/ den Vrede-Vorst en Helt
Die u niet kocht om ghelt// doch om sijn bloedt dierbaer/
Denckt/ hem vertoornen dan/ schrick’lijck over die haer
Verloopen hier en daer// plant dit in ‘sherten grondt.
Varent.
Byloo daer sal gheen raegh/ wassen voor uwen mondt/
Doch ons gheiyen-stondt// is vry wat overstreken.
Ghemeen.
Zijn daerom veroorsaeckt/ door Redenen van spreken
Soo’t meerder is ghebleken// hier binnen te vernachten.
Godtsalighen.
Soo doet/ maer wat ghy doet / wilt doch beter betrachten
D’aenstaende tijdt met krachten// u hert tot Godt verheffen/
Op dat u in’t nieuw’ Iaer, gheen swaerder straf en treffen.
[[1]]
Pause II
2.
Broeders u is// te vergheefs ghegheven niet
Godes ghenaed’// dus wilt malcander gheven
Gheen erghernis// in blijschappe en verdriet/
Principael staet// na ’t Boetvaerdighe leven/
Thoont daer beneven//voor Godt ghy groote schaer
Berouw//gantsch trouw// met sucht en beven/
Soect Godt/ soect Godt/ soect Godt/ in’t nieuwe Jaer.
[1] [Binnen al.] in de marge
Hij schonk jullie als eeuwig erfdeel het evangelie, dat alles kan verzachten, en ook de vrijheid van geloof. En, wat nog meer is, Hij heeft voor jullie tegelijk vele duizenden verstoten omwille van Zijn edel hoofd[1] en het scherpe en staalharde zwaard van de tirannie[2], dat vele mensen het hoofd heeft gekost, gebroken voor jullie voeten geworpen, en hen die het geloof vijandig waren, gedwongen tot een bestand. Hij heeft als een rechtvaardige God jullie leed gewroken en Hij deed dit allemaal opdat jullie Zijn gebod zouden houden, maar jullie hebben je daar als domme dwazen niets van aangetrokken en ook voor het oog van God geen dankbaarheid getoond en in plaats van de waarheid duizendmaal onwaarheid verkondigd. Terwijl Hij jullie nog enigszins een waarschuwing gaf om jullie vrees in te boezemen. En nu zijn jullie hier zo uitermate boos? Hoeveel te meer, denk je eens in, zal Hij, de Vredevorst en held, die jullie vrijkocht met Zijn eigen bloed en niet met geld, vertoornd zijn op de lieden die hierheen willen en daarheen! Knoop dit goed in je oren!
Het scheepsvolk
Verdorie[3], u bent niet op uw mondje gevallen, maar het tijdstip om uit te zeilen is wel zo ongeveer voorbij.
De ambachtslieden
We zijn daarom genoodzaakt door al het gediscussieer - zoals wel vaker gebeurt - hier in de haven te overnachten.
Vurig geloof
Doe maar, maar wat jullie ook doen, denk toch beter na en richt de komende tijd jullie hart sterk op God, opdat jullie in het nieuwe jaar geen zwaardere straf krijgen.
[[4]]
Tweede pauze
2. [5]
Broeders, u hebt Gods genade niet ontvangen om er niets mee te doen
Dus wil elkaar geen ergernis bezorgen.
Hoofdzaak is dat jullie in vreugde en verdriet[6] vooral streven
naar een boetvaardig leven. En toon ook, jullie allemaal,
een diepe spijt tegenover God, al is het met zuchten en beven.
Zoek God! Zoek God! Zoek God in het Nieuwe Jaar!
[1] Bedoeld wordt waarschijnlijk het hoofd van Christus en daarmee de verlossing door Christus.
[2] Bedoeld wordt waarschijnlijk de Spaanse tirannie.
[3] Hier staat in het origineel opnieuw een verbasterde vloek.
[4] [Iedereen gaat af.] in de marge
[5] Het 2e couplet van het lied.
[6] De zinsnede ‘in vreugde en verdriet’ kan syntactisch gezien ook horen bij de voorafgaande zin. Dat is niet duidelijk.
4r

Varent-volck.
Angst baret ongheneucht/ ja maeckt cleyn de Coragie/
Mergh ende kracht vergaen/ midts de groote quellagie/
Daer valt geen avontagie// als ‘tplagh in dees Lantsdouwen.
Ghemeen.
En als ghesmolten Was/ is mijn hert door’t benouwen/
Verdwijn in elcx aenschouwen//in vermoeytheydt en pijn
Als een schaduwe ras/ alle de leden zijn
Ontstelt op dit termijn// ‘taensicht swellet van weenen/
De Zeenwen zijn verdrooght/ ja de adren en beenen
Trillen/ beven met eenen// van smert ende weedom
Versmelt ick als de Sneeu/verwelck ghelijck een blom
Hij weet wel den waerom//die op den handel let.
Varent.
Hoe ick het wend’ of keer/ ‘tis al qualijck gheset
Wij visschen achter ‘tNet// ‘s Morghens vroegh ’s Avondts laet.
Ghemeen.
‘Tis ten acht’ren altoos/ een backt hoe dattet gaet/
D’een sich met een Peen verzaet//en d’andere met Rapen.
Volck.
Hierom roepen altoos/heyligh Oorlogh en Wapen/
De meesters ende knapen// die zijn van cleynder macht.
Godtsalighen.
O ghy herdt Coppigh volck/en vertwijffelt gheslacht
Denckt wat hebben gewracht//des krijghs bitter manieren/
Moorden/brandt/roof/ghewelt/vrouwen maeghden schoffieren/
Door het tormentigh tieren//menigh ’tleven ontschaeckt.
Ghemeen.
Dit Catijvigh begin/ oock hoer en dieven maeckt
Struyckroovers (den sin smaeckt)//die loopen achter landen.
Volck.
Zeeroovers van ghelijck/ wiens eere comt tot schanden/
Binden ons voeten/ handen//nemende soo niet meer
Dan sy binnen Scheepsboort/ vinden van knecht en Heer/
Ja cost/dranck ende kleer// varender soo meed’ voort/
En om een Haverstroo/smackent al overboort/
Soomen daghelijcks hoort// ist niet een deerlijck feyt?
Godtsalighen.
Dit comt al by ghebreck/ het moet nu zijn gheseydt/
Dan goede lijdsaemheyt//die schort sulck luy gheboeft.
Ghemeen.
Ghy weet te segghen veel/die niet en hebt beproeft
Hoe ‘tis daer veel behoeft//en niet en is te winnen/
Het scheepsvolk
Vrees veroorzaakt smart en doet ons zelfs de moed verliezen. Energie en kracht lijden onder grote kwellingen. Nergens is er winst te behalen, wat vroeger wel zo was in deze streken.
De ambachtslieden
Mijn hart doet zeer van deze beklemmende situatie. Zoals iedereen kan zien, kwijn ik weg door vermoeidheid en pijn. Al mijn ledematen laten het afweten. Mijn gezicht zwelt op van het huilen. Mijn zenuwen zijn op, mijn aderen en botten trillen en beven zelfs allemaal van verdriet en smart. Smelt ik weg als sneeuw, verwelk ik als een bloem? Iedereen die oog heeft voor de handel, weet wel waarom.
Het scheepsvolk
Hoe je het wendt of keert, het is allemaal verkeerd gelopen. Wij vissen achter het net van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat.
De ambachtslieden
Uiteindelijk komt het erop neer dat iedereen maar moet zien rond te komen. De een moet het doen met penen, de ander met rapen.
Het scheepsvolk
Daarom roepen meesters en knechten - ze zijn beide machteloos - telkens om een heilige oorlog en wapengeweld.
Vurig geloof
O, jullie koppig en verdwaasd volk, bedenk toch wat het wrede oorlogsbedrijf veroorzaakt: moord en brand, roof en geweld, het verkrachten van vrouwen en meisjes. Menigeen verloor het leven door het verschrikkelijke razen van de oorlog.
De ambachtslieden
Deze ellendige toestand brengt ook hoeren en dieven voort, en struikrovers - het woord zegt het al - die door de wildernis zwerven.
Het scheepsvolk
Het brengt ook zeerovers voort, die hun eer te grabbel gooien. Ze binden onze handen voeten vast en nemen alles wat zij aan boord vinden zonder rekening te houden met rang of stand en varen er zo mee weg, zelfs eten, drank, en kleren. En er hoeft maar niets te gebeuren, of ze kieperen alles over boord. Dit horen we dagelijks. Is het niet in- en intriest?
Vurig geloof
Dat komt allemaal door de armoede - dat moet nu toch gezegd worden - maar elke lijdzaamheid ontbreekt bij zulk lui gespuis.
De ambachtslieden
Voor iemand die niet heeft meegemaakt hoe het is om in armoede en zonder werk te leven, heeft u nogal veel praatjes.
4v

Catelen huysraet oock/ja wollen ende linnen
Coper/yserwerck/ tinnen// mantel/huyck/wambays/rocken/
Werden verteeret al/aen stucken/hongher brocken/
Dat ick nauw een paer socken// can houden aenden voet.
Varent.
Mochtmen vullen den buyck/ met houpstocken ’twaer goedt/
Want waerder een wat doet// zijnder stracx veel in woelingh/
En veel verckens voorwaer/maken een dunne spoelingh/
Dit is mijn ghevoelingh// nemet dan daer op merck.
Ghemeen.
Maer eer den Treves quam/doen wasset al werck werck/
Al hadd’men in dit perck// ghewracht met duysent lijven/
Wy mochten niet ghenoegh / de Cooplieden gherijven/
En dat dede my blijven// met eeren houden huys.
Godtsalighen.
Ghemeene Ambachtslien/en Varent-volck Confuys/
Ghy hebt een groot abuys//in al dat ghy vervaet/
U is immers bekent / datter gheschreven staet/
Hoe Godt de menschen haet//die oyt boosheyt bedreven/
En datmen niet alleen/vanden Broode sal leven/
Maer van elck woordt verheven// dat deur Godes mondt spruyt/
Hierom soecket voor al/wat ghy doet of recht uyt
Soo Christus selfs beduydt// ‘teeuwigh/ eenighe rijck
En zijn gherechtigheydt/ de rest sal in’t publijck
U werden alghelijck// toegheworpen om niet/
Want ick ben jongh gheweest/den Propheet selfs bediedt/
En oudt gheworden siet// maer sagh noyt ghebreck lijden
Den Rechtvaerdighen hier/willet daer in verblijden
Nu ende t’allen tijden//oock morghen ende huyden.
Volck.
Ja ja rustet u hooft/ men salder d’ Mett’ meed’ luyden/
Sulck een voorspraecks beduyden// en helpt niet ons ghebreken.
Ghemeen.
Daeromme wilter vry/ een speldeken by steken/
[[1]] Wy achten al dat spreken// voor Nul/ u als een Leur.
Godsalighen.
Al watmen roept of krijt/ ‘tis voor een doof mans deur/
Nochtans t’haren faveur// dewijl’ den tijdt gaet corten
Soo sal ick langher niet/ ‘tvroom voornemen opschorten/
Maer mijn ghebedt gaen storten// om Gode te beweghen
Dat hy uyt gieten wil/ om d’ondeught te staen teghen/
Sijn Gheest als een slaghreghen// die’t goedt beginnen//heeft/
Ende in’t nieuwe Iaer, t’volck beter sinnen ,, gheeft.
Pause III.
[1] [Binnen.] in de marge
We versjacherden stuk voor stuk alle spullen, ook huisraad, zelfs wol en linnen, koper, ijzerwerk en tin, alsmede mantels, capes, hemden en overhemden. We verkochten ze om de honger te lenigen, zodat ik amper een paar sokken aan mijn voeten heb.
Het scheepsvolk
Kon men de buik maar vullen met gebakken lucht, dan zou dat mooi zijn, want als er één wat verdient, dan komen er velen in opstand en natuurlijk, veel varkens maken de spoeling dun. Zo voel ik het aan. Let op mijn woorden!
De ambachtslieden
Maar voor het Bestand er kwam, was er aan werk geen gebrek. Al hadden we duizend mensen kunnen inzetten, we hadden de kooplui niet tevreden kunnen stellen. Daardoor kon ik blijven waar ik was en fatsoenlijk een gezin onderhouden.
Vurig geloof
Ambachtslieden en scheepsvolk, jullie zijn in de war. Zoals jullie tegen de zaak aankijken, sla je de plank volledig mis. Jullie weten immers dat er geschreven staat dat God de mensen verfoeit die kwaad bedreven hebben en dat men niet van brood alleen kan leven, maar dat men mede leeft van elk verheven woord dat uit Gods mond komt. Daarom moeten jullie bij alles wat jullie doen en uitrichten - zoals Christus zelf aangeeft - het enige eeuwige rijk zoeken en Zijn gerechtigheid. De rest zal jullie pro deo net zo worden geschonken. Want ik ben jong geweest en oud geworden, verklaart de profeet[1] zelf, maar ik heb de oprechte gelovige nooit gebrek zien lijden. Put daar vreugde uit, nu en altijd, vandaag en ook morgen.
Het scheepsvolk
Ja, ja, doe maar een beetje rustig! U maakt iedereen nog wakker. Met dit soort uitspraken komen we geen steek verder.
De ambachtslieden
Hou er daarom alsjeblieft over op!
[[2]] Wij vinden al dat gepraat onzinnig en jou een lapzwans.
Vurig geloof
Alles wat je roept, is aan dovemansoren gericht, ook al strekt het hun tot voordeel. Intussen dringt de tijd. Daarom zal ik niet langer mijn vrome voornemen uitstellen en mijn gebed gaan uitstorten voor God om Hem te bewegen Zijn Geest over de wereld te willen laten uitregenen om het kwaad te weerstaan, zodat een nieuw begin mogelijk is. En het volk in het nieuwe jaar verstandiger wordt.
Pauze 3
[1] Hier is waarschijnlijk Mozes bedoeld.
[2] [Zij gaan af.] in de marge
5r

3.
Hy is seer goet// en latet vrouwe noch man
Boven hen macht// noch vermoghen temteeren/
Maer gheeft een moedt// datmen licht wederstaen can/
Yder die tracht// na de Reden des Heeren:
Dus t’sijnder eeren//neemt tot vertroostingh’ haer/
Het sal//wel al//ten besten keeren/
Eert Godt/eert Godt/eert Godt/ in’t nieuwe Jaer.
Ghemeen.[1]
T Is met d’handen in’t hayr/ ende den broeck op’t hooft
Tis qualijcken ghewendt// spit vallet inder asschen.
Volck.
Wel burgher wilt ghy meed’/ hoe staet hy dus verdooft
‘Tis met d’handen in’t hayr// ende den broeck op’t hooft.
Ghemeen.
Ick loop by na als mal/ of van sinnen berooft
Mijn stocxken werdt soo cort/ ick spring noch inder plasschen.
Volck.
‘Tis met d’handen in’t hayr/ende den broeck op’t hooft
‘Tis qualijcken ghewendt/ ‘tspit vallet inder asschen
Nu willet u wat rasschen// segh’t daert op staet met eenen. [[2]]
Ghemeen.
Ick ben heel t’eynden raedt/ en uyt met beyde benen
Ende wilt ghy nu henen// hoort dit is mijn ghepeys
Nu denck ick dat ick blijf / dan denck ick dat ick reys
Dit sweer ick by gantsch vleys// ende het is alsoo
Dat veel verhuysens cost/ veel moeyten en bedstroo
Daeromme scheyd’ ick noo/een yeder mach’t wel weten.
Godtsalighen.
Dat meer is waer ghy comt/ wilt dit oock niet vergheten
Sal die wel is gheseten// na believen oprijsen
En laten sitten u/dits der ouders advijsen
Dus wandelt als den wijsen//souckt den Heer te behaghen
Den welcken langhsaem is / tot toorne ende plaghen
Soo’t blijckt in dese daghen// want hy houdts’ in vertrecken
En presenteert u hier/ om d’herten te verwecken
Neringhe te ontdecken/na sijn trouwe verbondt.
Volck.
Ghy zijt een Aerdigh’ gheest/ dats een Constighe vondt/
[1] De volgende acht regels vormen een rondeel.
[2] [Godtsaligen yver
uyt en
Neringh of-
te sy sliep
legghende.] in de marge
3. [1]
God is zeer goed. Hij laat man of vrouw
niet zwaarder op de proef stellen dan zij aankunnen,
maar geeft aan ieder, die ernaar streeft het woord
van de Heer te volgen, zodanige moed dat hij weerstand kan bieden.
Dus, ter ere van Hem, laat dit u troost geven:
het zal dan allemaal ten goede keren.
Eer God, eer God, eer God in het nieuwe jaar!
De ambachtslieden [2]
We zitten met de handen in het haar en staan voor joker,[3]
het neemt een foute wending, het draait allemaal in de soep.[4]
Het scheepsvolk
Zeg, beste man, wilt u nog mee? Wat staat hij daar nou verdwaasd!
We zitten met de handen in het haar en staan voor joker.
De ambachtslieden
Ik loop hier als een dwaas. Ik ben beroofd van zinnen.
Mijn polsstok is zo kort dat ik nog in de sloot beland, als ik zou springen.[5]
Het scheepsvolk
We zitten met de handen in het haar en staan voor joker.
Het neemt een foute wending, het draait allemaal in de soep.
Schiet nou eens op en zeg direct waar het op staat! [[6]]
De ambachtslieden
Ik weet me geen raad meer en hink op twee gedachten. En u wilt nu vertrekken? Luister, ik twijfel steeds: het ene moment denk ik te blijven, het andere wil ik weggaan. Ik zweer het verdorie. En het is ook zo, dat telkens verhuizen veel moeite kost en duur is. Daarom vertrek ik niet graag. Iedereen mag het weten.
Vurig geloof
Bovendien, u moet er wel aan denken: daar waar u komt, zal iemand daar die er lekker bij zit, uit eigen wil voor u opstaan en u laten zitten? Dat is achterhaald. Dus doe wat de wijzen doen en probeer de Heer te behagen, die niet zo snel woedend wordt of rampen stuurt, zoals vandaag de dag wel blijkt; Hij houdt ze achter de hand. En Hij laat u, om u op te beuren, hier Winkelier ontdekken. Hij houdt zich aan Zijn belofte.[7]
Het scheepsvolk
U bent een slimme gast! Dat is nog eens een ‘pientere’ gedachte.[8]
[1] Het 3e couplet van het lied.
[2] De volgende acht regels vormen een rondeel. Vandaar de herhalingen.
[3] De uitdrukking in het origineel ‘met de broek op’ (ook wel ‘met de kous op’) heeft waarschijnlijk als achtergrond dat narren er zo bij liepen.
[4] De uitdrukking in het origineel ‘het spit valt in de as’ heeft als achtergrond dat met het braadspit uiteraard ook de maaltijd in de as valt.
[5] Waarschijnlijk een zegswijze in de zeventiende eeuw.
[6] [Vurig geloof komt op en Winkelier doet alsof hij ligt te slapen.] in de marge
[7] Zoals eerder bleek uit de regieaanwijzingen ligt Winkelier op dit moment op het toneel te slapen.
[8] Deze opmerking is zeer waarschijnlijk sarcastisch bedoeld.
5v

Waert nu soo dat ghy condt// sulcken Medecijn maken
Waer door Neringhe mocht/ weder op de been raken
Dan souden alle spraken// uwe kennis vertellen.
Godtsalighen.
Hoort ende luystert toe/meed’broeders en ghesellen
Ick sal u wat voorstellen// wilt ghy sulckes volbringhen
U sal ontbreken niet/van gheenderhande dinghen
Oeffent u Jonghelinghen// van jeughts aen in Godts Wet
Uw’ halsen ende borst / rechtevoort verciert met
Sijne gheboden net//die wilt te houden trachten
Hebbende den Heer lief/ van gantsch ghemoedt en krachten
In d’binnenste ghedachten// mede van gantscher zielen
Valt in alsulcke boet/ als d’ Ninivyten vielen
Wilt met Magdaleen knielen// voor de voeten des Heeren
Met waerachtigh’ berouw’/ afstandt en abstineeren
Van alle boos’ hanteeren// want d’Apost’len ghediendt.
Ghemeent.
Die u den tonghriem sneedt / heeft sijn gheldt wel verdiendt
Maer seght/ hoe heet ghy vriendt// en zijt ons een gherijver.
Godtsalighen.
Maer mijnen naem die is/Den Godtsalighen yver.
Een gherecht Rechten schrijver// ende des Heeren knecht.
Volck.
O yver Godtsaligh/ hoe waren wy dus slecht
Dat wy uu trouw’ berecht// niet eerder waer en namen
Dan wy sullen ’t terstondt/ nacomen na ‘tbetamen
Ende voor Godt te samen//bidden/en kennen schuldt.
Ghemeen.
By avontuer dat hy/ neer siet/ ons met gheduldt
En blijschappe vervult//soo zijnde aengheropen.
Godtsalighen.
Twijffelt niet/ sijn ghenaed’/ staet en is altoos open
Voor al die in hem hopen//soo ‘t de Schriftuer uytleydt
Maer vergheet dit niet bidt/ inden Gheest der waerheydt
U werdt dan niets ontseydt// wilt het doch wel bevroen.
Volck.
[[1]] U zy danck van ons t’zaem/voor dit goede sermoen
Wy meynent te voldoen//na ons beste vermoghen.
Godtsalighen.
O/Godt lof/ prijs/en danck/ dat ghy uyt mede doghen
Haer dus veer hebt ghetoghen//door u liefde eerbaer
Helpt hun ’t goede begin, volbringen, In ’t nieuw’ Iaer.
Pause IIII
[1] [Beyde bin-
nen.] in de marge
Was het nu zo dat u zo’n goed geneesmiddel kon maken dat daarmee Winkelier weer op de been zou komen, dan zou in alle talen over uw kennis verteld worden.
Vurig geloof
Hoor, luister naar mij, medebroeders en kameraden, ik zal u iets voorleggen. Als u dat kunt volbrengen, dan zal het u aan niets meer ontbreken: oefen uw kinderen van jongs af aan in Gods wet! Laat heel uw wezen vanaf nu zijn heldere geboden uitdragen![1] Probeer u daaraan te houden, terwijl U de Heer liefhebt met uw hele wezen en in uw diepste gedachten en ook met uw hele ziel. Wees boetvaardig zoals de Niniveeërs! Kom, kniel net als Magdalena aan de voeten van de Heer en onthoud u met waarachtig berouw van slechte daden. U dient hiermee de apostelen.
De ambachtslieden
U bent goed van de tongriem gesneden. Alle lof voor wie u dat bijbracht. Maar, vriend, doe ons een plezier, en zeg ons wie u bent.
Vurig geloof
Wel, mijn naam is ‘Vurig geloof’. Ik ben een betrouwbaar rechtbankgriffier en een dienaar van de Heer.
Het scheepsvolk
O, Vurig geloof, waarom waren wij zo onnozel dat wij uw oprechte les niet eerder ter harte hebben genomen? Nochtans zullen wij die vanaf nu opvolgen zoals het hoort, en samen tot God bidden en schuld bekennen.
De ambachtslieden
Met de kans dat Hij omlaag kijkt en dan zal Hij ons vervullen met geduld en vreugde, omdat Hij door ons wordt aangeroepen.
Vurig geloof
Twijfel niet, Zijn genade staat vast en is altijd bereikbaar voor hen die op Hem hopen, zoals in de Heilige Schrift staat. Maar vergeet dit niet: bid zoals de Heilige Geest leert! Het zal u dan aan niets ontbreken. Bedenk dat toch goed!
Het scheepsvolk
[[2]] Wij allen danken u voor deze vrome vermaning. Wij proberen hieraan naar ons beste vermogen gehoor te geven.
Vurig geloof
O God, lof, prijs en dank dat u uit mededogen hen door uw zuivere liefde zover hebt gebracht. Help hen dit goede begin in het nieuwe jaar voort te zetten!
Pauze 4
[1] In het origineel staat dat men zijn hals en borst moet versieren met de geboden. Dit is waarschijnlijk een verwijzing naar het borstschild, ook wel bekend als de choshen, dat een belangrijk onderdeel was van de ceremoniële kleding van de hogepriester in het Oude Testament. Het was van goud en bezet met twaalf edelstenen, die stonden voor de twaalf stammen van Israël. Het werd gedragen op het borstbeen en symboliseerde dat de drager een tussenpersoon was tussen God en het volk van Israël.
[2] [Beiden gaan af.] in de marge. Beiden zijn in dit geval de ambachtslieden en het scheepsvolk.
6r

4.
Voorder bethoont//dat u Ghelove beproeft/
Lijdtsaemheyt werckt//met vasten en ghebeden/
Na de ghewoont// der oprechter/ niet vertoeft/
Maer u versterckt// door aenvechtingh’ bestreden/
Als Christi leden// murmureert niet/ voorwaer
U lust//in rust// siet ghy/ ‘tmaeckt Reden/
Dient Godt/dient Godt/dient Godt/ in’t nieuwe Jaer.
Neringhe. [[1]]
OMbeydt wat vreemder slaep/ hield’my eenen tijdt t’onder
Een avontuers gherucht/ hoorden ick/ ‘tdocht my wonder/
‘Tscheen ‘tgheluydt van een donder// my ontstelden de leden/
‘tOnlustigh visioen/ vol der swaermoedigheden/
My docht dat veel klacht deden// in persoon over mijn/
Dies ick beroert ontwaeckt/ hier vraegh in elcx aenschijn/
Of ick yemandt in’t sijn// oyt dede onghelijck.
Met de Elle ghewicht/ in Mate ofgte Yck/ [[2]]
Ried’ ick inde Traffijck// yemande tot bedrieghen?
Tot leughen stofferingh’/ of om bedrogh te lieghen?
Spreeckt vrylijck wie ghy zijt/ hier ofte hier ontrent.
Godtsalighen.
O neen ‘tis des volcks schult/ dat nu lijdt en bekent/
De misbruycken present// ghepleecht van minst en meest/
Biddende rechtevoort/ met een verslaghen Gheest/
Dies Godt in dit foreest// verhoort ‘tdroevigh verhalen/
En van nieuws hun aenneemt/ quijtscheldet teenemalen/
Ende neder laet dalen// sijn gratie volmaeckt. [[3]]
Ghemeent’ uyt met ’t Volck. [4]
Vreuchde/vreuchde/verheught/ Neringh’ is eens ontwaeckt/
Godts goedtheydt wert ghesmaeckt// door goedertieren seghen.
Volck.
Blijschap/blijschappe groot/ daer yeghelijck na haeckt/
Vreuchde/vreuchde/verheught/ Neringh’ is eens ontwaeckt/
Ghemeen.
Die langh laegh in doots schijn/ werdt weder wel ghespraeckt/
Wel hem dies niet en laeckt// maer hier door werdt beweghen.
Volck.
Vreuchde/vreuchde/verheught/ Neringh’ is eens ontwaeckt/
Godts goedtheydt wert ghesmaeckt// door goedertieren seghen.
Hebben wy haer verkreghen// tot onsen welgheval.
[1] [Godtsaligen
yver comt
ende luystert
Nering aen
de oor/ waer
van sy ont-
springt ende
spreeckt.] in de marge
[2] [Amos 8.4.
JEsaja.32.7.] in de marge
[3] [Nering bin-
nen.] in de marge
[4] De volgende acht regels vormen weer een rondeel.
4. [1]
Voorts, laat zien dat u uw geloof in de praktijk brengt
met vasten en gebeden. Wees standvastig! Doe naar
de gewoonte der rechtvaardigen en talm niet, maar
maak uzelf sterk, zoals Christus volgelingen, door uw
slechte neigingen te bestrijden. Klaag niet! Voorwaar,
bewaar uw rust. Het zal u goed bekomen. Het is verstandig!
Dien God, dien God, dien God, in het nieuwe jaar.
Winkelier [[2]]
Hé, wat een vreemde slaap hield mij een tijd in zijn greep! Ik hoorde plotseling een geluid, dat mij wonderlijk voorkwam. Het leek het geluid van de donder. Ik schrok me wezenloos van het ongure droombeeld vol droefgeestigheid. Ik ving op dat er veel over mij gemopperd werd, waardoor ik onthutst ontwaakte, en ik vraag u hier recht op de man af of ik ooit iemand onbillijk heb behandeld waar het lengte, gewicht, inhoud of ijkmerk betreft. [[3]] Spoorde ik in het handelsverkeer ooit iemand aan te bedriegen of leugens op de mouw te spelden? Spreek vrijuit, wie of waar u ook bent!
Vurig geloof
Nee, het is de schuld van het volk, dat nu lijdt en zijn dwalingen van dit moment bekent, gepleegd door bazen en knechten, terwijl het nu bidt met een deemoedig hart. Daarom verhoort God in deze wereld hun trieste uitlatingen en neemt hen opnieuw tot zich, vergeeft hen voor eens en voor altijd, en laat Zijn volmaakte goedertierenheid neerdalen. [[4]]
De Ambachtslieden en het scheepsvolk komen samen op
Hiep, hiep, hoera! Er zit weer leven in de winkelier.[5]
Wij ontvangen verheugd Gods goedheid en Zijn welwillende zegen.
Het Scheepsvolk
Blijdschap, grote blijdschap. Dit is waar iedereen naar verlangt.
Hiep, hiep, hoera! Hiep, hiep, hoera! Er zit weer leven in de winkelier.
De Ambachtslieden
Hij, die lang ten dode opgeschreven leek, praat weer honderduit.
Alle goeds voor hem die dit op waarde schat en erdoor wordt gemotiveerd.
Het Scheepsvolk
Hiep, hiep, hoera! Hiep, hiep, hoera! Er zit weer leven in de winkelier.
Wij ontvangen verheugd Gods goedheid en Zijn welwillende zegen.
Die viel ons tot ons geluk ten deel.
[1] Het 4e couplet van het lied.
[2] [Vurig geloof komt op en luistert met zijn oor bij Winkelier, waardoor deze opspringt en begint te spreken.] in de marge
[3] [Amos 8.4., Jesaja 32.7.] in de marge
[4] [Winkelier gaat af] in de marge
[5] De volgende acht regels vormen opnieuw een rondeel. Vandaar de herhalingen.
6v

Godtsalighen.
Maeckt nu dat ghy so leeft/ O ghy groote ghetal/
Hier ende overal// dat ghy die meught behouwen/
Bethoonet danckbaerheyt// en laet in’t tranigh dal
Gheen cleyngheloovigheydt// dijn ghemoedt doen verkouwen/
Maer de Leden begheeft/ tot eenen dienst vol trouwen /
Levendigh/heyligh en/Godt behaeghlijck ghevonden/
Volght de vruchten des Geests/ als blijschap in’t benouwen/
Wees’lijkcke eenlijkckheyt/in liefde t’allen stonden/
Vrede/ verduldigheyt/ met vriend’lijckijeyt verbonden/
Goetheydt/ langmoedigheyt/ suyverheyt na behoren/
Stellet u niet ghelijck/ dese werelt vol sonden/
Maer temmet u lichaem / ‘tis gheen moeyten verloren.
Ghemeen.
Daer na sullen wy staen/als Godes UUtverkoren/
Nemen tot onderstandt / hem om dit te volcomen/
Want wie op hem vast staet/ sal in gheen schand’ versmoren.
Volck.
Och of dit van elck een/ ter herten waer ghenomen/
So soudt gheschieden wel / na ‘twenschen der Gouds-blomen
Dat ‘tbeter soude gaen/ als veel duysenden meenen.
Godtsalighen.
Daer toe helpe u Godt / die UUt jonst t’uwer vromen
U al begreepen heeft / en willet oock met eenen
Een zaligh nieuwe Iaer, om sijns naems wil verleenen.
Prince. 5.
Princen ghedenkt// Godts bermhertigheden groot
Veel Jaren u// en d’Goudtbloemkens bewesen/
D’ Vrijdom niet krenckt//waer mede hy ons begoot/
Maer laet elck nu// een hooft bet’ren/ghenesen/
Eer dat na desen//volght straffe noch soo swaer/
Bidt/waeckt//en maeckt// soo Vreed’ ghepresen
Met Godt/met Godt/met Godt/in’t nieuwe Jaer.
UUt Ionsten begrepen.
Vurig geloof
Zorg nu dat u allen zo leeft, hier en overal, dat u Zijn goedertierenheid kunt behouden. Toon dankbaarheid en laat in dit tranendal uw hart niet verkillen door gebrek aan geloof. Laat iedereen zich wijden aan trouwe dienst aan Hem: krachtig, godvruchtig en aan God welgevallig. Richt u op de ‘vruchten van de Geest’[1] en beschouw die als een vreugde in hachelijke tijden: wezenlijke eensgezindheid, altijd vol liefde, vrede en geduld verbonden met vriendelijkheid, goedheid, lankmoedigheid en zuiverheid, zoals dat hoort! Gedraag u niet zoals in deze wereld vol zonden gebeurt, maar houd u in. Het zal niet voor niets zijn.
De ambachtslieden
Daar zullen wij ons voor inzetten, als Gods uitverkorenen. Wij steunen op Hem om dit te bereiken, want wie bouwt op Hem, zal niet in schande sterven.
Het scheepsvolk
Ach, als dit nu eens door iedereen ter harte werd genomen, dan zou het zo kunnen, zoals wij Goudsbloemen[2] wensen, dat alles beter zou gaan dan vele duizenden verwachten.
Vurig geloof
Dat God u daarbij mag helpen! God, die u uit liefde en tot uw geestelijk heil heeft omarmd[3], en dat Hij u tegelijk een zalig Nieuwjaar mag schenken!
5: tot onze prins [4]
Prins, denk aan Gods grote barmhartigheid,[5]
die Hij aan u en de Goudsbloemen vele jaren heeft betoond.
Laat de vrijheid[6] ongemoeid die Hij ons schonk!
Laat ieder zijn koppigheid laten varen,
voordat hierna nog een zwaardere straf[7] volgt.
Bid, wees waakzaam, en maak aldus de zo gewenste vrede
met God, met God, met God in het nieuwe jaar!
Uit liefde omarmd[8]
[1] ‘Vruchten van de Geest’ - d.w.z. van de Heilige Geest - is een specifieke uitdrukking in de bijbel omvattende: liefde en vrede, geduld, vriendelijkheid en goedheid, geloof, zachtmoedigheid en zelfbeheersing.
[2] ‘Goudsbloemen’ slaat op de rederijkerskamer zelf, die de Goudsbloem als symbool heeft. De goudsbloem verwijst naar Maria. Uiteraard verwijst de naam ook tegelijk naar de stad Gouda.
[3] Hier is de zinspreuk van de rederijkerskamer verwerkt.
[4] De prins is hier de prins van de rederijkerskamer, een leidende functie binnen een kamer. Het was gebruikelijk om een rederijkersspel of -lied af te sluiten met een passage gericht tot de prins van de kamer.
[5] Deze zeven regels worden weer gezongen.
[6] Het is niet helemaal duidelijk welke vrijheid hier wordt bedoeld. Is het de vrijheid van de erfzonde, is het de vrijheid van geloof, of is het de politieke vrijheid in de vorm van het Twaalfjarig Bestand?
[7] De eerdere straf is de slechte economische situatie in Gouda waar het stuk in zijn geheel over gaat.
[8] Dit is de zinspreuk van de kamer als afsluiting van het stuk. Er zijn overigens andere lezingen bekend van deze zinspreuk. Zie bijvoorbeeld: Docter, M, en M. van Delft, “Goudse rederijkerskamers in een roerige tijd 1546-1642, in: N.D.B. Habermehl (1992), In de stad van die Goude.

