Intro
Titelblad

1r

Het Leven van D.V.
Coornhert.
Dirck Volckertsz. Coornhert is inden jare 1522, tot Amsterdam
gheboren van ouden goeden borgherlijcken gheslachte: sijn Vader was een La-
ken-cooper/dewelcke zijnde inde fleur van sijn leven ende als sijn neeringhe opt
beste was/ die verliet ende daer uyt scheyde/ seggende dat hy rijck genoegh was/
ende gheen rijckdom meer en begheerde / ende als sijn huysvrouwe daar over
t’onvreden was/meenende dat hy daar uyt nyet en behoorde te scheyden/ dewijle
de neeringhe nu goet was/ ende syluyden noch int beste van haar leven/ende met
kinderen begaaft/daarmen sorghe moest voor draghen: gaf hy voor antwoorde/ dat hy ghenoegh
hadde om eerlijcken te leven/ ende de kinderen/ so sy haar tot deuchden wilden begheven/ voort te
helpen. Dat hy oock liever hadde datse waren eerlijcke ende naarstighe winners dan ledige ende
schandelijcke verteerders/ ende datter eenen tijdt van ghenoeghen behoorde te wesen by den sterf-
lijcken mensche. Sijn huysvrouwe hieldt noch evenwel de neeringe aan/ maar hy en wilde hem
daar noyt meer mede bemoeyen. Dirck Coornhert was de jongste sone/ sijn twee ouder broeders
zijn oock aansienlijcke borghers gheweest / Clement sterf balling om des vryheydts voorstandt/
Frans Coornhert is mede balling gheweest/ ende naderhandt Secretaris ende Schepen tot Am-
sterdam: sijn oudste suster Trijn is ghehouwet gheweest/ aen Heyndrick kroock/ Schepen ende
Raadt/ ende oock laken-cooper in hen vaders huys / sijn tweede suster Aef troude Pouwels Ker-
stensz. Dirck Coornhart self is in sijne jonckheydt naar ghewoonte deses Landts om wat te be-
soecken in Spaengen ende Portugaal gheweest/ t’huys comende is hy jonck ghehouwelijckt aan
Neeltgen Symons Dr. de suster van Anna Symons Dr. die moeder is gheweest van Jonck-
Heer Lancelot van Brederoede / vader van Heere Reynout van Brederoede / Ridder Heere van
Veen-huysen ende Spambroeck / jeghenwoordigh President inden hooghen Rade / ende oock
moeder van jonck-heer Artus van Brederoede in sijn leven Raadt inden Provincialen Hove
van Hollandt. Dirck Coornhert huwlijcx goedt dervende/ vermidts hy buyten raedt van sijn
moeder (die doen weduwe / ende teghen sijn vaders testament) ghehuwelijckt was/ ende met sijn
huysvrou weynigh ofte gheen goederen hebbende/ heeft vermidts dese voorschreven gheleghent-
heydt / hem begheven in dienste by Heer Reynout van Brederoede / vry Heere van Vianen / A-
meyde / etc. als Hof-meester/ by den welcken hy wel ghesien ende bemint was/ maar sijn sinnen
nyet tot het Hof streckende/ is t’selfde haast moede geweest/ ende is met sijn wel-believen van hem
ghescheyden/doch noch dickwils in verscheyden sijne saken ghebruyckt gheweest: Ende sich tot
Haerlem metter woone begeven hebbende/heeft het plaat-snijden int coper/ende oock etsen aen-
ghevanghen / ende daar in ende oock int inventeren ende wat die conste aanginck sulcx toeghe-
nomen/dat hy daar eerlijck sijn nootdruft mede verdiende. Hy is een man geweest van een groot
ende cloeck verstandt ende begrip. Als hy inde dertigh jaren oudt was/ heeft hy sich begeven om
de Latijnsche tale te leeren / daar in hy onderwesen is gheweest deur den seer gheleerden Doctor
Johan Basius / die naderhandt Raedt is gheweest vanden Prince van Orangien. De oorsake
waarom hy so oudt zijnde de Latijnsche tale leerde is geweest/ dat hy in eenige poincten der reli-
gie ongerust zijnde/ ende sijn gemoedt nyet connende vernoegen / meende dat hy inde boecken van
Augustijn of andere Patres (de int Latijn alleen gheschreven hebben) soude connen onderrich-
tinghe ende ghenoeghen vinden: Hy heeft in corten tijdt deselve tale sulcx gheleert ende verstaan/
dat hy verschepden boecken uyt den Latijne in duytsch vertaalt heeft / als namentlijck onder an-
dere de Officien Ciceronis / de weldaden van Seneca / de vertroostinghe der Philosophie van
Boetius/ eenighe stucken van Homerus/ de historien van Paulus Jovius/ ende verscheyden an-
dere/eensdeels ghedruckt ende t’meerdeel onghedruckt. In sijne jonckheydt heeft hy hem oock
geoeffent inde Musijcke ende int Rijmen/ hy conde seer meesterlijck spelen op de duytsche Fluyte/
oock op de Luyte ende Clavecimbal: van schermen is hy meester gheweest/ ende van alle eerlijc-
ke loflijcke ende gheoorlofde consten ende oeffeninghen heeft hy eenigh verstandt ghehadt. In
maaltijden heeft hy seer vermakelijck van propoosten oock stichtelijck gheweest/ ende hem altijdt
sober ende nuchteren ghehouden/ hy was een vyandt van lediheydt/ sijn ghewoonte was meest
savondts ten thien uren slapen te gaan/ ende wederom smorghens te vier uren op te staan/
segghende dat ses uren te slapen meer dan ghenoegh was / ende datmen deur t’langhe slapen
het leven vercorte / ende met vroegh opstaan ende waken het corte leven verlengde: Hy heeft een
vermakelijck protest in rijm teghen den slaap ghemaackt (t’welck terstondt achter aan desen
volght) ende veele andere fraeye ende constighe rijmeryen / Comedien / Refereynen / ende liede-
kens / eensdeels ghedruckt / ende noch meer onghedruckt: hy hieldt den tijdt voor eenen costelijc-
ken schat / ende en versuymde deselve nyet onnuttelijck: Hy was een beminder vande Duytsche
tale/ die hy seyde een vande rijckste der werelt te wesen/ ende sagh seer noode datmen vreemde ta-
len daar onder mengde / ghelijck hy in sijne voorreden van d oversettinghe van Ciceronis Offi-
cien verhaalt: Door sijn devijs had hy ghenomen / als hy een wijle tijdts inde quade gratie van
hertaling
1v

Het Leven
sijn moeder was (om de oorsake van sijn houwelijck hier vooren verhaalt) Verkiesen doet verlie-
sen, op welcx sinne hy oock eenighe liedekens ghemaackt heeft. Naar sijn dertigh jaren heeft
hy hem oock mette penne (hoewel hy daar in nyet gheoeffent en was) beholpen. Inden jare 1561.
is hy Notaris gheworden / den 15. Januarij 1562. is hy Secretaris der stadt Haerlem ghewor-
den / den 11. Maert 1564. is hy Secretaris vande Burghemeesteren van Haerlem gheworden
ende in Politike saken ghebruyckt / in welcke bedieninghe hy veele moeyten ghehadt heeft:
Inde jaren 1565. ende 1566. is hy van Stadts weghen tot verscheyden tijden gedeputeert
gheweest te reysen by den Prince van Orangien Stadthouder van Hollandt wesende / ende de-
wijle inde selve jaren de troublen inde Nederlanden begonsten op te staan / ende dat hy groote
kennisse hadde met den Ed. Heer Heynderick van Brederoede / sone vande voornoemde Heer
Reynout van Brederoede Heere van Vianen / etc. (deur oorsake vooren verhaalt dat hy sijn va-
ders Hofmeester was gheweest / ende dat hy den selven oock selfs eenighe goede diensten hadde
ghedaan) dewelcke neffens andere vande principaalste Edelen der Nederlanden de Requeste in
April 1566. aan de Hartoginne van Parma hadde ghepresenteert / soo is hy oock by den selven
gheweest soo tot Vianen / Utrecht ende Amsterdam / ende oock buyten ende binnen Haerlem op
den huyse van Cleef (t’welck den voorszeide Heere toebehoorde) hebbende ende houdende metten sel-
ven eenighe communicatie tot voorstandt van s’ Landts vryheyt: waar over de saken weder ver-
anderende / hy teghen die previlegien der stadt Haerlem (de Overheydt ende Magistraten der
selver stadt) / daar tegens nyet dorvende hare previlegien voorstaan) uyt Haerlem in s’ Graven-Ha-
ghe ghevoert / alwaar hy langhen tijdt in sodanighen ghevaarlijckheydt des levens ghevancke-
lijck is ghehouden: soo dat sijn huysvrouwe van sijn uytcomste wanhopende / inde huysen daar de
pest was de arme luyden ginck dienen in haer sieckte / op hope vande pest te crijghen / ende by
haar man comende / ghesamentlijck daar van te sterven / t’welck Coornhart ghewaar werdende /
haar ernstelijck berispt ende verboden heeft / willende datse met hem de uytcomste van God sou-
de verwachten. Eyndelijck heeft hy sich soo cloeckelijcken weten te verantwoorden / dat den Ha-
ghe voor sijn ghevanckenisse werde gheordonneert / maar daar na ghewaarschout zijnde datter
schrijven was van Brussel om hem wederom in ghevanckenisse te stellen / is hy secretelijck (uyt
geleydt zijnde deur Jonckheer Artus van Brederoede) naar Haerlem / ende voorts uyt den Lan-
de vertrocken / ende willigh ballinck gheworden. Heeft sich metter woone begheven inden Lande
van Cleef / alwaar hij sijn cost met plaatsnijden voor hem ende sijn huysghesin heeft moeten win-
nen: Inde ghevanckenisse zijnde / heeft hy deur de goede kennisse die hy hadde metten Procu-
reur Generaal / vercreghen dat hy tot sijn oeffeninghe mocht hebben / penne / inckt ende papier /
ende heeft aldaar in gheschrifte ende rijme ghemaact de Comedie van Lief ende Leedt, het Lof
der ghevanckenis, seker discours dat hy noemt Compas der rusten, ende eenighe andere stichtelijc-
ke tractaten / oock liedekens ende refereynen. Inden jare 1572. doen die van Hollandt hare vry-
heyt opentlijck begonsten voor te staan teghen de moedtwillighe tyrannye van de Hartoghe van
Alva / den Spangaerden ende andere vreemdelinghen / so is hy wederom in Hollandt (sijn Va-
derlandt) ghecomen / ende is Secretaris van de HH. Staten van Hollandt ghemaackt / doch door
sijn openhertighe oprechtigheydt sich een voorstander van s’ Landts middelen / ende teghen de
moetwilligheydt van des Graven van Lume soldaten stellende / ende ghecommittert zijnde om
informatie te nemen op der selver onbehoorlijcker handelinghen teghen den inghesetenen der
platte landen / is hy daar deur inde onghenade van den selven Grave en desselfs Hopluyden ende
Officieren van ’t crijchs-volck (die doen ter tijdt veele authoriteyt hadden) ghecomen / waar deur
hy sijn leven nyet versekert zijnde / wederom uyt het Landt vertrocken is / den Prince van Oran-
gen ende de HH. Staten van Hollandt sijne meesters de oorsake sijns vertrecks schriftelijck te
kennen gevende / ende heeft sich alsdoe meest tot Embden (daar hy oock in sijn ballingschap ee-
nighe tijdt ghewoont hadde) onthouden / tot dat de Prince van Orangien de saken des Landts in
beter ordere ende staat gebracht hebbende / hy wederom int Landt ende tot Haerlem metter woo-
ne ghecomen is / alwaer hy sich als Notaris in stilheyt was ernerende. Maar naderhandt door
eenighe te hevighe ende precise yveraars in Schriftuerlijcke twisten gherakende / heeft hy nyet
alleen verscheyden boecxkens van sijn ghevoelen in druck uytghegheven / maar heeft oock met
bewilliginge ende beschrijvinge van den Prince van Orangien / loflijcker memorie / ende der HH.
[[1]] Staten van Hollandt tot tweemaal / so tot Leyden inde Academie (blijckende op de handelinghe
daar van in druck zijnde) als in s’ Graven-Hage op’t Hof openbaarlijcken tegens de Predicanten
alleen seer vrymoedelijck ghedisputeert / welcke disputatie op ghehouden werde nyet teghenstaen-
de sijn ernstigh ende menighvuldigh versoeck / so aan de HH. Staten als aan den Predicanten /
(ende daarom inden Hage quam woonen) ende bysonderlijck inden Synodo ter Goude om die te
volvoeren: Opentlijcken verclarende dat hy inden Heydelberchschen Catechismo (die in veel kerc-
[[2]] ken hier te Lande doen ter tijdt gheleert ende gepredickt werde / als oft Euangeli ware) mercke-
lijcke groote dolinge bevondt / daar over sekere proeve in druck ghevende / den HH. Staten die de-
dicerende / aanbiedende sulcx noch breeder te bewijsen. De Predicanten weygherigh blijvende
om haar leere tegens hem te verantwoorden / heeft opentlijck in druck de Dolingen des Catechis-
mi vertoont / ende sijn boeck den Ed. H. vanden hooghen Rade ende den ghedeputeerden vande
Steden over de aanghevanghen disputatie toe gheschreven: Daar in doende dat een Christen
gheoorloft ende schuldigh is te doen int berispen vande dolinghen diemen inde Kercke siet cruy-
pen, so eenighe Predicanten aan hem hadden gheschreven: Des nyet teghenstaande is hy hier
om op de Predick-stoelen ende over al gheblameert ende seer ghecalumnieert gheworden: waar
deur den haat van veelen teghens hem verweckt is: ende daar over als andere heeft moeten
lijden. Doch heeft hem in alle sulcx seer cloeckmoedigh / wel versekert ende gherust ghetoont /
ende is oock stantvastelijck daar by ghebleven. Eyndelijck is hy ter Goude (om de vryheydt ende
onpartijdigheyt der Overigheyt in Religions saken) metter woone gegaan / alwaar hy verschey-
den boecken uytghegheven heeft / bysonderlijck tegen de verdoemelijcke Predestinatie ende Erf-
sonde metten aancleven (so eenighe die leerden) als oock insonderheyt de vryheyt in Religions sa-
ken teghen Justum Lipsium / Professor inde Universiteyt van Leyden / beschermende ende het
ketterdooden wedersprekende: oock teghen T. Bese tractaat: Ende by na in Nederduytsch uyt
hertaling
2r

van D.V. Coornhart.
het Latijn overgheset hebbende de Paraphrasis Erasmi Roterodami / is hy in sieckte ghevallen /
waar inne hy seer gheduldigh wesende / ten laatsten op den xxix. Octobris Anno 1590. (met goet
ende volcomen verstandt endevast betrouwen op God) inden Heere ontslapen is / oudt wesende
acht ende tsestigh jaren. Ende overmits datter deur eenighe nijdighe menschen / hem partijdigh
zijnde / onwaarachtighe gheruchten waren ghestroyt / dat hy seer ongheduldigh in sijn sieckte was
gheweest / so heeft sijn susters dochter / die by hem woonde / om ’t teghendeel te betoonen / doen be-
leyden de ghetuyghenissen van Mr. Boudewijn Ronse / Doctor inde Medecijnen / die over hem
hadde ghegaan / mitsgaders noch acht andere eerlijcke personen / mannen ende vrouwen / die
hem daghelijcx quamen besoecken / ende hem in sijn sieckte oock ghewaackt hadden: Dewelcke
alle eendrachtelijck ghetuyght hebben / dat hij in sijn sieckte seer gheduldigh / stil / ende zedigh ghe-
weest is / met een vast betrouwen op Godt / sprekende seer verstandighe ende stichtighe redenen /
daar sy af verwondert waren. Doch na seer weynigh tijdts vermits hem de sprake seer beswaer-
lijck viel / zijnde totten laatsten toe seer wel by sijn verstandt / soo dat het de getuyghen een ver-
wonderen was / verclarende weynigh ghesien te hebben soodanighe goede ghesteltenisse in een
mensche die de ure sijns stervens soo naar ghecomen was. Ende onder anderen soo verclaart
ende ghetuyght Cornelis Willemsz. openbaar Notaris ende oock Secretaris van de Weescamer
binnen der Goude / dat hy opten xxvij. Octobris des naar middaaghs ontrent ten vijf uren
hem quam besoecken / sitten in sijn cleederen op het voet-eynde van sijn koets-beddeken / aan d’een
zijde vanden haardt met kussens onderset: Dat hy tot hem onder andere met eenen grooten yver
sprack in effecte dese woorden: Ick hebbe van God een ziele ontfanghen, die behoort hem toe, in-
dien ick die besitte als mijn eyghen, so doe ick qualijck: maar besitte ick die als Godes, soo doe ick
recht, t’is sijn eyghendom, hy mach die verwerpen oft behouden soo het hem ghelieft, ick heb
gheen claghen: maar God is goet; hy doet nyet dan goet, ende en sal mitsdien sijn goet schepsel nyet
bederven. Houdende daar mede op / vermits het spreken hem moeyelijck viel. In summa / ghe-
duerende sijne sieckte / als oock in sijn voorgaande leven / heeftmen in hem ghesien / soo in
woorden als in wercken / seer clare teeckenen van een waar gheloof in Christum /
als mede van oprechte Godsaligheyt / ghelijck sijne schriften in overvloedt
betuyghen. Hy leyt binnen der Goude begraven / volghende sijn be-
gheerte van datmen hem nyet soude vervoeren na Am-
sterdam daar hy was gheboren: noch na Haer-
lem daar hy meest ghewoont hadde.
Op sijn graf is dit graf-schrift ghehouwen.
|
Nu rust, |
|
Noch sticht |
|
hertaling

