Koen Goudriaan heeft in het blad Tidinge (november 2025, jaargang 43, nr. 4) van de Historische Vereniging Die Goude een artikel geschreven over Gouda en de beeldenstorm.

Zie: ‘De beeldenstorm en zijn nasleep: een ander verhaal’.
Dat andere verhaal is de weergave van de gebeurtenissen in Gouda en de andere Hollandse steden door de katholiek Frans Dusseldorp (1567-1630) uit ongeveer 1616. Voor de katholiek Dusseldorp waren de protestanten ketters en is het beeld van Willem van Oranje niet zo positief als elders.
In zijn Annales, een in het Latijn handgeschreven geschiedenis van de Nederlanden, schreef Dusseldorp een verslag van de beeldenstorm en de overgang naar de Prins. Hij gebruikte hiervoor de aantekeningen van de katholieke Goudse burgemeester Stempelsz., die na de overgang gevlucht is naar het katholieke Keulen. Dusseldorp vertelt dat de zoon van Stempelsz. hem die aantekeningen heeft bezorgd.
Robert Fruin heeft een uittreksel uit het werk van Dusseldorp gemaakt. Koen Goudriaan heeft uit dit uittreksel van Fruin een aantal fragmenten gebruikt voor zijn artikel. Wij hebben deze fragmenten opnieuw getranscribeerd uit het handschrift van Dusseldorp volgens de regels die wij bij GOS hanteren. De werkvertaling van Koen Goudriaan hebben we hier en daar wat aangepast.
Het handschrift van Dusseldorp bevindt zich in de Universiteitsbibliotheek Utrecht (Utrecht, UBU, Hs 775).

Door te klikken op een kleine afbeelding wordt het volledige facsimile getoond.

27r

Fruin p. 14/15



                                                                                          Quod Trajecten-
ses fecerant statim per universam Hollandiam in omnibus urbibus fieri
ceptum est nullaque mansit immunis nisi Gouda et Dordracum immortal-
li illarum civitatum et praecipue magistratuum laude #[1]

[1] in marge: # Goudae fuit / xxx saluti boni et zelosi / pastoris Joannis a Schoonhovia / Antwerpiensis Sacrae Theologiae bacca / laurei qui postea Aldenarde / obijt in exilio pia et frequens / adhortatio cui egregie coope / rata est animositas magistra / tus qui publice dicebant et / ostendebant se prius occiden- / dos quam conciones tolerandas vel imagines confringendas Imo cum reperissent inter suos qui impari studio vel heresi infectos / qui dicerent se pugnare nolle pro sacrificulis monachis et imaginibus specialiter vocarunt operarios bajulos qui ibi magno / sunt numero ijque catholice admodum se gerentes et magistratui assistentes heretici terrori fuerunt et ditiores catholicos / animarunt et quia Cristina Viglij primaria ancilla quae pro ecclesiasticorum more plurimum apud ipsum poterat / Goudana erat per illam et Viglium a Parmensi obtinuerunt ut trecentos milites e plebe sua conscriberent per illos / vigilias maxime diurnas agebant apponentesque illos portis excludebant omnes qui heretica symbola de more ferrent / noctu quoque vigilibus per civitatem euntibus pl conventus hereticorum impediebant et alios specialiter ad custodiam / ecclesiae sue deputarunt unde ibi numquam intermissum diurnum officium ecclesieve clausae vel conciones heretice / habite sunt

[Begin augustus: de hagenpreken beginnen in Bergen (Henegouwen) en Utrecht]

Wat de Utrechtenaars hadden gedaan, begon zich vervolgens meteen ook in Holland in alle steden af te spelen. Geen stad bleef ervan gevrijwaard, behalve Gouda en Dordrecht; tot onsterfelijke roem van die steden en vooral van hun magistraten.

[Eerst het gebeurde in Dordrecht]

In Gouda was het de goede en ijverige pastoor Johannes van Schoonhoven die met zijn vrome en niet aflatende aansporing heilzaam werkte.[1] Hij was afkomstig uit Antwerpen, bachelor in de heilige theologie, en overleed later in ballingschap te Oudenaarde. Met hem werkte de bezieling van de magistraten uitstekend samen. Deze magistraten verkondigden en lieten voortdurend zien dat ze zich liever lieten ombrengen dan preken van de ketters toe te staan of beelden te laten stukslaan. Sterker nog, toen ze onder hun mensen personen aantroffen die leden aan gebrek aan ijver of met ketterij besmet waren en die zeiden niet te willen vechten voor priestertjes, monniken en beelden, riepen ze heel gericht sjouwers (zakkendragers) te hulp, die in de stad in grote aantallen te vinden zijn. Die stelden zich geheel op zoals het katholieken betaamt, assisteerden de magistraat, joegen de ketters schrik aan en bezielden de rijkere katholieken. En omdat Christina, de voornaamste huishoudster van Viglius, een Goudse was,[2] – zoals dat bij kerkelijke personen gaat, had ze veel invloed op hem – kregen de magistraten via haar en Viglius bij Margaretha van Parma[3] gedaan dat ze driehonderd soldaten uit hun eigen werkvolk mochten aanwerven.[4] Met hun hulp voerden ze vooral overdag waakdiensten uit, en door hen bij de poorten op te stellen, sloten ze iedereen buiten die de symbolen van de ketters droeg.[5] Ook ’s nachts lieten ze in de stad wachters rondgaan om bijeenkomsten van ketters te verhinderen, en ze stelden speciale manschappen aan om hun kerk te bewaken. Zo is het gekomen dat in Gouda het dagelijkse officie nooit is onderbroken, en dat de kerk er nooit is gesloten of dat er hagenpreken zijn gehouden.

[Ook in Rotterdam bleef het stil, ondanks de aanwezigheid van de ketterse pastoor Duyffhuys…]

[1] Dit is onjuist. De pastoor in kwestie was Joost Bourgeois, overleden te Gouda in 1571. Zijn opvolger heette Cornelis van Schoonhoven, niet Johannes. Fruin vermoedt dat Jan Gerrit Stempelsz hier naamloos van ‘de pastoor’ sprak en dat Dusseldorp de naam verkeerd heeft ingevuld.
[2] Viglius van Aytta, voorzitter van de Raad van State en de Geheime Raad, had kerkelijke status. Volgens zijn testament kwam Christina overigens uit Rotterdam: Fruin, Inleiding op de editie, p. 309.
[3] Landvoogdes.
[4] De werving van deze driehonderd man wordt ook vermeld in een brief van de landvoogdes aan stadhouder Willem van Oranje van 26 september 1566: G. Groen van Prinsterer (ed.), Archives ou correspondance inédite de la maison d’Orange Nassau 2.1 (Leiden 1835) 321/2. In de stadsrekening van dit jaar (Oudarchief Gouda 1218) wordt een reeks uitgaven voor het waken vermeld, uitgedrukt in aantallen mandagen. Die aantallen liggen veel lager dan men zou verwachten voor een ‘leger’ van driehonderd man.
[5] Vermoedelijk wordt gedoeld op de bedelstaf en -zak, de emblemen die de ‘geuzen’ sinds het Smeekschrift der Edelen (5 april 1566) droegen.