Koen Goudriaan heeft in het blad Tidinge (november 2025, jaargang 43, nr. 4) van de Historische Vereniging Die Goude een artikel geschreven over Gouda en de beeldenstorm.
Zie: ‘De beeldenstorm en zijn nasleep: een ander verhaal’.
Dat andere verhaal is de weergave van de gebeurtenissen in Gouda en de andere Hollandse steden door de katholiek Frans Dusseldorp (1567-1630) uit ongeveer 1616. Voor de katholiek Dusseldorp waren de protestanten ketters en is het beeld van Willem van Oranje niet zo positief als elders.
In zijn Annales, een in het Latijn handgeschreven geschiedenis van de Nederlanden, schreef Dusseldorp een verslag van de beeldenstorm en de overgang naar de Prins. Hij gebruikte hiervoor de aantekeningen van de katholieke Goudse burgemeester Stempelsz., die na de overgang gevlucht is naar het katholieke Keulen. Dusseldorp vertelt dat de zoon van Stempelsz. hem die aantekeningen heeft bezorgd.
Robert Fruin heeft een uittreksel uit het werk van Dusseldorp gemaakt. Koen Goudriaan heeft uit dit uittreksel van Fruin een aantal fragmenten gebruikt voor zijn artikel. Wij hebben deze fragmenten opnieuw getranscribeerd uit het handschrift van Dusseldorp volgens de regels die wij bij GOS hanteren. De werkvertaling van Koen Goudriaan hebben we hier en daar wat aangepast.
Het handschrift van Dusseldorp bevindt zich in de Universiteitsbibliotheek Utrecht (Utrecht, UBU, Hs 775).
Door te klikken op een kleine afbeelding wordt het volledige facsimile getoond.
27r
Quod Trajecten-
ses fecerant statim per universam Hollandiam in omnibus urbibus fieri
ceptum est nullaque mansit immunis nisi Gouda et Dordracum immortal-
li illarum civitatum et praecipue magistratuum laude #[1]
[1] in marge: # Goudae fuit / xxx saluti boni et zelosi / pastoris Joannis a Schoonhovia / Antwerpiensis Sacrae Theologiae bacca / laurei qui postea Aldenarde / obijt in exilio pia et frequens / adhortatio cui egregie coope / rata est animositas magistra / tus qui publice dicebant et / ostendebant se prius occiden- / dos quam conciones tolerandas vel imagines confringendas Imo cum reperissent inter suos qui impari studio vel heresi infectos / qui dicerent se pugnare nolle pro sacrificulis monachis et imaginibus specialiter vocarunt operarios bajulos qui ibi magno / sunt numero ijque catholice admodum se gerentes et magistratui assistentes heretici terrori fuerunt et ditiores catholicos / animarunt et quia Cristina Viglij primaria ancilla quae pro ecclesiasticorum more plurimum apud ipsum poterat / Goudana erat per illam et Viglium a Parmensi obtinuerunt ut trecentos milites e plebe sua conscriberent per illos / vigilias maxime diurnas agebant apponentesque illos portis excludebant omnes qui heretica symbola de more ferrent / noctu quoque vigilibus per civitatem euntibus pl conventus hereticorum impediebant et alios specialiter ad custodiam / ecclesiae sue deputarunt unde ibi numquam intermissum diurnum officium ecclesieve clausae vel conciones heretice / habite sunt
[Begin augustus: de hagenpreken beginnen in Bergen (Henegouwen) en Utrecht]
Wat de Utrechtenaars hadden gedaan, begon zich vervolgens meteen ook in Holland in alle steden af te spelen. Geen stad bleef ervan gevrijwaard, behalve Gouda en Dordrecht; tot onsterfelijke roem van die steden en vooral van hun magistraten.
[Eerst het gebeurde in Dordrecht]
In Gouda was het de goede en ijverige pastoor Johannes van Schoonhoven die met zijn vrome en niet aflatende aansporing heilzaam werkte.[1] Hij was afkomstig uit Antwerpen, bachelor in de heilige theologie, en overleed later in ballingschap te Oudenaarde. Met hem werkte de bezieling van de magistraten uitstekend samen. Deze magistraten verkondigden en lieten voortdurend zien dat ze zich liever lieten ombrengen dan preken van de ketters toe te staan of beelden te laten stukslaan. Sterker nog, toen ze onder hun mensen personen aantroffen die leden aan gebrek aan ijver of met ketterij besmet waren en die zeiden niet te willen vechten voor priestertjes, monniken en beelden, riepen ze heel gericht sjouwers (zakkendragers) te hulp, die in de stad in grote aantallen te vinden zijn. Die stelden zich geheel op zoals het katholieken betaamt, assisteerden de magistraat, joegen de ketters schrik aan en bezielden de rijkere katholieken. En omdat Christina, de voornaamste huishoudster van Viglius, een Goudse was,[2] – zoals dat bij kerkelijke personen gaat, had ze veel invloed op hem – kregen de magistraten via haar en Viglius bij Margaretha van Parma[3] gedaan dat ze driehonderd soldaten uit hun eigen werkvolk mochten aanwerven.[4] Met hun hulp voerden ze vooral overdag waakdiensten uit, en door hen bij de poorten op te stellen, sloten ze iedereen buiten die de symbolen van de ketters droeg.[5] Ook ’s nachts lieten ze in de stad wachters rondgaan om bijeenkomsten van ketters te verhinderen, en ze stelden speciale manschappen aan om hun kerk te bewaken. Zo is het gekomen dat in Gouda het dagelijkse officie nooit is onderbroken, en dat de kerk er nooit is gesloten of dat er hagenpreken zijn gehouden.
[Ook in Rotterdam bleef het stil, ondanks de aanwezigheid van de ketterse pastoor Duyffhuys…]
[1] Dit is onjuist. De pastoor in kwestie was Joost Bourgeois, overleden te Gouda in 1571. Zijn opvolger heette Cornelis van Schoonhoven, niet Johannes. Fruin vermoedt dat Jan Gerrit Stempelsz hier naamloos van ‘de pastoor’ sprak en dat Dusseldorp de naam verkeerd heeft ingevuld.
[2] Viglius van Aytta, voorzitter van de Raad van State en de Geheime Raad, had kerkelijke status. Volgens zijn testament kwam Christina overigens uit Rotterdam: Fruin, Inleiding op de editie, p. 309.
[3] Landvoogdes.
[4] De werving van deze driehonderd man wordt ook vermeld in een brief van de landvoogdes aan stadhouder Willem van Oranje van 26 september 1566: G. Groen van Prinsterer (ed.), Archives ou correspondance inédite de la maison d’Orange Nassau 2.1 (Leiden 1835) 321/2. In de stadsrekening van dit jaar (Oudarchief Gouda 1218) wordt een reeks uitgaven voor het waken vermeld, uitgedrukt in aantallen mandagen. Die aantallen liggen veel lager dan men zou verwachten voor een ‘leger’ van driehonderd man.
[5] Vermoedelijk wordt gedoeld op de bedelstaf en -zak, de emblemen die de ‘geuzen’ sinds het Smeekschrift der Edelen (5 april 1566) droegen.
28r
Laudabilis haec praedictarum civitatum in catholica religione constantia
quam grata fuerit optimo et piissimo religiosissimo principi vel hoc declarat
quod inter tot tantasque variorum regnorum [1] specialiter de hac inquirere
et destinatis ad hoc literis singulas illas civitates animare voluerit Sic
enim scripsit ad Goudanos quarum gallico idiomate copiam authenticam
sic latinam reddo ad verbum
Rex[2]
Dilecti atque fideles grato animo intelleximus per ducem Parmensem sororem
nostram quod inter tot mala tumultus et alia mala quae magno nostro
[3] in illis regionibus acciderunt vos tam diligenter advigilaveritis ut apud
vos omnia in antiquo statu manserunt unde vos laudamus et gratias
agimus ut rationi convenit exhortantes etiam ut in eo perseveretis et
si quopiam auxilio indigueritis confugere poteritis ad dictam principem
quae non omittet quin vobis prestabit quantum possibile erit per vestrum
gubernatorem vel aliter Voluimus quoque vos certiores reddere quod
nunc revertimur Madritum Mantuam Carpentoratorum ea intentione
ut statim atque eo venerimus disponamus de nostro discessu et quod inde
dependet de quo [4] certiorem reddemus dictam dominam Dilecti atque
fideles deus vos custodiat ex silva Segovie 3 Octobris 1566
et erat subscriptum Philippe subsignatum J Courtewille In dorso erat
scriptum Dilectis et fidelibus nostris consulibus et scabinis
nostrae civitatis Goudae in Hollandia et signate erant in dorso rubeo sigillo
#[5]
Quin et ipsa Parmensis non contenta singulos apud principem Regem tanto
pere commendasse ut speciali gratiarum actione et adhortatione eos dignaretur
[1] bovengeschreven: curas
[2] Fruin vermeldt de brieven van Filips II en Margaretha, maar neemt ze in zijn editie niet op. De ‘brief uit het bos van Segovia’ was al wel bekend uit vermeldingen, (zie op deze website Register rakende Gouda f. 33v-34r), maar de tekst is nooit eerder gepubliceerd.
[3] in marge: moerore
[4] bovengeschreven: sepe
[5] in marge: # ex quibus literis discere licet / qualem curam optimus / princeps de belgio habuerit / ut non tantum in genere sed / etiam in specie de singulis / eius membris et singulis / eorum actionibus sollicitus / fuerit et inquisierit Simulque / tanti salutem eius estimaverit / ut relicta Hispania longinquo et periculoso itineri se accingere non dubitarit
Hoe welkom deze lofwaardige standvastigheid van voornoemde steden in het katholieke geloof bij de allerbeste en allervroomste Koning was, blijkt wel hieruit dat hij te midden van zoveel en zo grote zorgen om zijn verschillende koninkrijken speciaal hiernaar wenste te informeren en die steden een voor een met een brief heeft willen bemoedigen. Want zo schrijft hij aan de Gouwenaars, waarvan ik het originele in het Frans gestelde exemplaar als volgt woordelijk weergeef in het Latijn:
De koning
‘Geliefden en getrouwen, met dankbaar gemoed hebben wij via de hertogin van Parma, onze zuster, vernomen dat u te midden van zoveel ongeregeldheden en ander kwaad, tot onze grote droefenis in die streken voorgevallen, zo zorgvuldig en waakzaam bent geweest dat bij u alles in de oude toestand is gebleven. Daarvoor prijzen wij u en zeggen u dank, zoals de rede het vereist, terwijl we u aansporen hierin te volharden. En wanneer u enigerlei hulp nodig heeft, zult u uw toevlucht tot genoemde Vorstin kunnen nemen, die niet zal nalaten u die naar vermogen te verlenen, via uw gouverneur of anderszins. We willen u verder op de hoogte stellen dat wij nu terugkeren naar Madrid,[1] met de bedoeling om zodra wij daar aankomen alles met betrekking tot ons vertrek en wat daarvan afhangt in orde te brengen, waarvan wij genoemde Vrouwe regelmatig op de hoogte zullen stellen. Geliefden en getrouwen, moge God u behoeden. Uit het bos van Segovia, 3 oktober 1566.’
De ondertekening luidde ‘Philippe’, en het onderschrift J. Courtewille. Op de rugzijde was geschreven: ‘Aan onze geliefde en getrouwe burgemeesters en schepenen van Gouda in Holland’, en de brief was achterop met een rood zegel gesigneerd.
#[2]
Zelfs is het zo dat de vrouwe van Parma er niet tevreden mee was de afzonderlijke onderdanen zo sterk bij de Koning te hebben aanbevolen dat deze hen een speciale dankzegging en aanmoediging waardig keurde:
[1] Na doorhaling van de naam Madritum schrijft Dusseldorp Mantuam Carpentoratorum. Hij bedoelt Mantuam Carpetanorum, een deftige aanduiding voor Madrid: Graesse, Benedict en Plechl (eds.), Orbis Latinus. III delen (heruitgave Braunschweig 1972) s.v. Madritum.
[2] In marge: # Uit deze brief kan men leren welke zorg de voortreffelijke vorst voor Nederland heeft gehad, zodat hij niet slechts in het algemeen maar ook in het bijzonder bezorgd is geweest over en geïnformeerd heeft naar de afzonderlijke onderdelen daarvan en over hun bijzondere handelingen, en tegelijk hun heil zo waardevol heeft geacht dat hij niet aarzelde Spanje te verlaten en zich aan te gorden voor een lange en gevaarlijke reis.
28v
etiam Regijs literis suas in eundem finem adiungere voluit quas ex simili
copia similiter hic reddimus
Margareta dei gratia dux Parmae et Placentie etc regens [1] et
gubernatrix etc
Charissimi et valde dilecti recepimus a Rege domino nostro literas datas tertia
praesentis quibus certiores reddimur quanta animi molestia perceperit continuationem
turbarum Belgicarum et e contrario quantum voluptatis hauriat quod videat
diligentiam et conatum suorum bonorum et fidelium subditorum quem faciunt
ut maneant et confirmentur in antiquo suo statu tam respectu religionis quam
etiam erga se obedientie et quandoquidem vos inter illos numerat omittere noluit
quin vobis scriberet epistolam his adiunctam ut sicut convenit vos laudet et
gratias agat adhortans in cepto cont perseveretis sic uti etiam plane confidit
ex vestra fidelitate et diligentia et ideo expectantes adventum sue Maiestatis quem
speramus brevi fore Interim promittimus vobis quicquid favoris et auxilij
prestare poterimus sicut etiam sua Maiestas nobis iniunxit Hoc quoque addere
voluimus quod perceperimus hereticos omnem operam navaturos ut bonos
corrumpant quare requirimus et [2] parte regis precipimus ut omnem curam
sicuti hactenus probe fecistis adhibeatis ne simplex populus diripiatur
vel aliquid novi tentetur contra religionem catholicam aut maiestatem
principis et quietem atque utilitatem publicam His deus custodiat vos
Charissimi et valde dilecti Bruxellis 25 octobris 1566 et erat subscriptum
Marguareta et adhuc inferius J vander Aa in dorso inscribebatur Charissimis
et valde dilectis nostris consulibus et scabinis Goudanis et sigillatae
erant sigillo rubeo
aan de brief van de Koning wenste ze haar eigen brief met dezelfde teneur toe te voegen, die we uit hetzelfde exemplaar hier eveneens weergeven:
‘Margareta, door Gods genade hertogin van Parma en Piacenza enz., landvoogdes en gouverneur enz.
Zeer geliefden en dierbaren, van de Koning onze heer hebben wij een brief gedateerd op de derde van de huidige maand, ontvangen waaruit we lezen met hoe grote pijn in het hart hij de voortzetting van de onrust in Nederland heeft vernomen, en hoeveel genoegen hij er daarentegen in schept de zorgvuldigheid en inspanning van zijn goede en getrouwe onderdanen te zien die zij betrachten om te zorgen dat zij in hun oude toestand blijven en worden bevestigd, zowel wat betreft de godsdienst als inzake de gehoorzaamheid jegens hemzelf. En aangezien hij u onder deze goeden telt, heeft hij niet willen nalaten u de hierbij gevoegde brief te schrijven om u zoals het past te prijzen en dank te zeggen. Hij spoort u daarbij aan in uw beginsel te volharden, zoals hij ook zonder meer op grond van uw trouw en zorgvuldigheid verwacht dat u zult doen, in afwachting van de komst van Zijne Majesteit, die naar wij hopen binnenkort zal plaatsvinden. Intussen beloven wij u naar vermogen alle steun en hulp te verlenen, zoals Zijne Majesteit ons ook heeft opgedragen. Ook dit willen wij er aan toevoegen dat we hebben gemerkt hoe de ketters alle moeite zullen doen om de goeden te bederven, een reden om u te verzoeken en namens de Koning op te dragen om alle voorzorg te treffen – zoals u tot nu toe ook voortreffelijk hebt gedaan – om te voorkomen dat het eenvoudige volk wordt meegesleurd of in opstand komt tegen het katholieke geloof, de majesteit van de Koning en de rust en het nut van het algemeen. Moge God u behoeden, zeer geliefden en dierbaren. Brussel, 25 oktober 1566.’ Ondertekend Margareta, en lager nog het onderschrift J. vander Aa. Op de rugzijde was het adres ‘Aan onze zeer geliefde en dierbare burgemeesters en schepenen van Gouda’, en de brief was verzegeld met een rood zegel.
37v
Vides amice lector quomodo intra bimestre spatium pestis haec iconoclastica
ita per universum Belgium desevierit paucas ut civitates immunes esse contigerit
xxx Certe in Hollandia immortali ob hoc laude dignissimi sunt Dordracum et
Gouda utpote quae non tantum ecclesias suas et numquam intermissum xxx officium
divinum incorruptas servarunt sed etiam hereticis congregationibus numquam foedate
sunt ut supra diximus Proximam his laudem [1] Harlem Rotterdam Schonhoven
Gorcomium Edamum quae licet a concionibus hereticis immunes esse non potuerint
ecclesiarum tamen profanationem passe non sunt ex quibus tamen Harlemum
hoc ferre coactum est ut ecclesijs clausis officium divinum ad tempus inter-
mitteretur sacramenta clam erogarentur et mortui sine ecclesiasticis caeremonijs sepe-
lirentur His annumerare licet in Flandria Brugas Insulas Douacum
Aelst Denremondam Alostum Duijnckerckiam In Brabantia Bruxellas Lovanium
et in Hannonia Montes et si quae similes
[1] bovengeschreven: habent
U ziet, beste lezer, hoe binnen de tijd van twee maanden deze plaag van de beeldenstorm in heel de Nederlanden heeft gewoed, zodat het slechts weinig steden te beurt viel ervoor gespaard te blijven. In Holland hebben om deze reden beslist Dordrecht en Gouda zeer zeker onsterfelijke lof verdiend, daar ze immers niet alleen hun kerken ongeschonden hebben bewaard en hun goddelijk officie nooit hebben laten onderbreken, maar ook nooit bevuild zijn met bijeenkomsten van ketters, zoals we boven hebben verteld. Daarnaast zijn lofwaardig Haarlem, Rotterdam, Schoonhoven, Gorcum en Edam, die geen ontwijding van hun kerken hebben ondergaan, ook al bleven ze niet gespaard voor ketterse preken. Van deze steden werd Haarlem echter gedwongen toe te laten dat de kerken werden gesloten en het goddelijk officie tijdelijk werd onderbroken, en dat de sacramenten heimelijk werden uitgereikt en de doden er zonder kerkelijke ceremoniën werden begraven. Bij deze groep mogen we rekenen: in Vlaanderen Brugge, Lille, Douai, Dendermonde, Aalst en Duinkerken, in Brabant Brussel en Leuven, en in Henegouwen Bergen en nog enkele vergelijkbare.
39r
Dum haec Ultrajecti agerentur Auraicus missis literis ad Hollandos evocat
eorum Ordines Schoonhoviam in secundam Novembris atque in condictum diem
eo contendit cum fratre suo Ludovico et Brederodio opportune autem
accidit ut eodem quo veniret die pastor illius oppidi quem superius ad heresim
defecisse notavimus in parochiali ecclesia concionem haberet ad populum contra
invocationem Sanctorum plenam blasphemijs irrisionibus et iniurijs in catholicos
Sequente vero die quo omnium defunctorum memoria agitur quidam minorita
missus Gouda insignem xxx orationem habuerat de purgatorio et orationibus
pro defunctis quem descendentem de cathedra insolens quidam hereticus Schoon
hovianus per aures arripit et crudeliter torquens clamat scelerate mona-
che an paratus es comprobare ea que statim erronee docuisti cumque
religiosus placide respondisset se nihil in suggesto proposuisse quod non
statim validis scripture et rationum authoritatibus confirmasset statim
accurrebant muliercule et hereticum sedibus suis impetentes extra tempera
templum pellebant Auraicus vero haec omnia se praesente gesta et ad se
delata dissimulanda putavit
[In Utrecht worden belegeringswerktuigen vervaardigd voor Brederode, de ketterse heer van Vianen. Een grote voorraad gedrukte ketterse catechismussen wordt onderschept]
Terwijl deze dingen in Utrecht gebeurden, zond Oranje brieven naar de inwoners van Holland en riep hun Staten[1] op om op 2 november naar Schoonhoven te komen. Tegen die dag begaf hij zich ook zelf daarheen, samen met zijn broer Lodewijk en met Brederode. Toevallig gebeurde het op dezelfde dag waarop hij aankwam dat de pastoor van die plaats, van wie we hierboven hebben gesignaleerd dat hij naar de ketterij was afgevallen, in de parochiekerk een preek tot het volk hield tegen de aanroeping van heiligen, vol godslasteringen en spot en beledigingen tegen de katholieken. Op de dag erna, waarop de gedachtenis van alle overledenen wordt gevierd, hield een minderbroeder, die vanuit Gouda was gezonden, een gedenkwaardige preek over het vagevuur en over de gebeden voor de doden. Toen deze van de preekstoel afdaalde, greep een schaamteloze ketter uit Schoonhoven hem bij zijn oren en riep, terwijl hij die wreed draaide: ‘Misdadige monnik, wil je de dwalingen bewijzen die je zojuist hebt uiteengezet?’ Toen de monnik kalm antwoordde dat hij op de kansel niets had voorgedragen wat hij niet onmiddellijk met bewijzen uit Schrift en rede kon bevestigen, kwamen er meteen vrouwtjes aanlopen die de ketter met hun stoeltjes te lijf gingen en de kerk uit joegen. Oranje echter meende dit alles, wat tijdens zijn aanwezigheid was gebeurd en bij hem was aangebracht, te moeten negeren ….
[1] De Staten van Holland telden zeven leden: de ridderschap (edelen) en de zes grote steden Dordrecht, Haarlem, Delft, Leiden, Amsterdam en Gouda.
42v
Dum haec Amsterdami aguntur Hollandie civitates separatim deliberant
singule de ijs quae ab Auraico 2 Novembris Scoonhovie proposita esse diximus
et ut aliquid ex varijs collatis in commune statuerent 20 Novembris Hagam
convenitut[1] Et nobiles quidem cum Delfensibus et Leidensibus remittunt
hoc in arbitrium principis [2] ut is de remedijs conservande religionis cogitet
interim putant expedire ut satis magnus militum numerus describatur qui auxilio
sit magistratui in singulis urbibus ad comprimendos tumultus numerum vero
in arbitrio Auraici ponit[3] xxx [4] in magistratu Leidensi [5] huic sententie
de arbitrio Auraici valide obluctabantur[6] xx et annitebantur[7] ut decerneretur
[1] lees: conveniunt
[2] bovengeschreven: Auraici
[3] lees: ponunt
[4] bovengeschreven: Non deerant
[5] bovengeschreven: qui
[6] bovengeschreven: rentur
[7] bovengeschreven: rentur
[Oranje probeert in Amsterdam een akkoord tussen de katholieken en de ketters tot stand te brengen]
Terwijl dit in Amsterdam gebeurde, beraadslaagden de steden van Holland afzonderlijk over datgene wat, zoals gezegd, door Oranje op 2 november te Schoonhoven was voorgesteld.[1] Om op grond van de uiteenlopende meningen een gemeenschappelijk besluit te kunnen nemen, kwamen ze op 20 november in Den Haag bijeen. De edelen lieten het, samen met de afgevaardigden van Delft en Leiden, aan het oordeel van de prins van Oranje over om op middelen tot het bewaren van de religie te zinnen. Intussen meenden zij dat het nuttig zou zijn om een voldoende groot aantal soldaten op de rol te zetten, dat de magistraten in de afzonderlijke steden te hulp kon schieten om oproerigheid te onderdrukken; maar het aantal zelf lieten ze aan de beslissing van Oranje over. Binnen de magistraat van Leiden ontbrak het overigens niet aan stemmen van mensen die zich hevig verzetten tegen dit oordeel om de beslissing bij Oranje te leggen. Deze stemmen spanden zich ervoor in om te besluiten
[1] Namelijk dat de steden zouden nadenken over de juiste middelen om de orde en rust te bewaren en dat men intussen zou vasthouden aan het akkoord dat de landvoogdes met de (lagere) edelen op 23-25 augustus had gesloten en dat onder meer preken toeliet in die plaatsen waar ze al eerder waren gehouden. Vroedschapsbesluiten van 5 en 26 november: M. Rollin Couquerque en A. Meerkamp van Embden, ‘Goudsche vroedschapsresoluties,’ Bijdragen en Mededelingen Historisch Genootschap 39 (1918) 322/3. Herman Kaptein, De Beeldenstorm (Hilversum 2002) 58/9.
43r
hereticos sua libertate spoliandos et si non ferrent eijciendos videri xxx enim
in Gallia [1] viderant quas ibi turbas praevaricantes nobiles contra regem et religio
nem excitassent quodque lenibus remedijs haeretica lues non curaretur quod etiam
collegis suis serio et sepissime inculcare non desinebant sed frustra cum urbis
syndicus Paulus Buzius totus in Nassovij partes propenderet et ceteri magistra-
tus xxx a severitate in hereticos plane abhorreret[2] xxx
xxx
Dordracenses magis prudenter dicunt non equalem esse in hoc omnium Hollandie
civitatum conditionem proinde expedire ut in singulis Nassovius de consilio
magistratus provideat maxime ut authoritas publica conservetur
Harlemenses dicunt utile sibi videri si possent concionatores hereticorum expelli
et Rex induci ut casset edicta et in futurum de non inducenda inquisitione Hollandos
securos faciat cum ex ijs orta sint omnia incommoda et constituantur aliae
moderationes per status generales #[3] verum quum difficilia haec fore putabant
suadere se ut secundum pacta cum nobilitate conciones tolerarentur et Auraicus
pro sua prudentia de remedijs statuat quandoque universalem Hollandie statum
ipsi non satis cognitum haberent Amstelredamenses in eandem fere
sententiam cum Dordracensibus convenerant Goudani vero dicunt apud
se nihil innovatum nec proinde indigere remedio ad communem vero totius Hollandie
statum quod attineret placere sibi ut serventur pacta cum nobilitate inita
et cum hereticis nisi seditionem moveant dissimuletur Videre licet
in his singularum civitatum sententijs quam callide omnes ab Auraico cir
cumventi in pacta cum nobilitate xxx inita consentiant cum illa vi
metuque extorta et Parmensi displicerent et a Rege irrita esse iuberentur
et mendaciter ab Auraico Parmensi placere dicta sunt ut ab omnibus
reciperentur
[1] bovengeschreven: enim
[2] lees: abhorrerent
[3] in marge: et rex generalem amnisian [in Griekse letters] / sanciat civitatibus quae / iconoclasiam passe sunt ita / tamen ut in privatos qui / illam fecissent inquireretur
dat de ketters van hun vrijheid[1] moesten worden beroofd en, dat ze, als ze dat niet over hun kant lieten gaan, dan moesten worden gedeporteerd. In Frankrijk had men immers gezien welke onrust met de vijand heulende edelen hadden aangewakkerd, tegen de vorst en de religie, en dat met zachte middelen de besmetting met ketterij niet kon worden verholpen. Ze hielden niet op dit serieus en keer op keer bij hun collega’s in te prenten, maar tevergeefs, omdat stadspensionaris Paulus Buys helemaal naar de partij van Nassau[2] overhelde en de overige magistraatsleden duidelijk terugschrokken voor strenge maatregelen tegen de ketters.
Verstandiger waren de vertegenwoordigers van Dordrecht, die zeiden dat op dit punt de toestand niet in alle Hollandse steden gelijk was en dat het daarom dienstig was dat Nassau in de afzonderlijke steden voorzieningen zou treffen volgens de raad van de magistraat, opdat vooral het publiek gezag intact zou blijven.
Die van Haarlem zeiden dat het hun nuttig leek zo mogelijk de predikanten van de ketters uit te zetten. Koning Filips II moest ertoe worden gebracht de edicten ongeldig te verklaren en voor de toekomst de Hollanders gerust te stellen over het niet weer invoeren van de inquisitie, aangezien uit deze zaken alle onaangenaamheden waren voortgekomen. Andere vormen van matiging – vonden de vertegenwoordigers van Haarlem – moesten worden besloten door de Staten-Generaal; de Koning moest algemene amnestie afkondigen voor de steden die de beeldenstorm hadden ondergaan, maar op zo’n manier dat een onderzoek zou worden ingesteld tegen de privépersonen die deze hadden uitgevoerd. Maar omdat ze van mening waren dat dit moeilijk zou zijn, was hun advies dat overeenkomstig de afspraken met de edelen preken zouden worden toegestaan, en dat Oranje naar eigen inzicht over de maatregelen[3] zou moeten beslissen, aangezien zij zelf nu eenmaal van de algehele staat van Holland niet voldoende op de hoogte waren.
De Amsterdammers waren het wel ongeveer eens met die van Dordrecht. De Gouwenaars zeiden echter dat er bij hen helemaal geen omwenteling had plaatsgevonden en dat ze daarom aan een maatregel geen behoefte hadden. Wat echter de algemene staat van heel Holland betreft, leek het hun goed dat de overeenkomsten die met de edelen waren gesloten,[4] zouden worden gehandhaafd; met betrekking tot de ketters moest een oogje worden dichtgeknepen tenzij ze oproer teweeg brachten. In deze opinies van de afzonderlijke steden kan men zien hoe sluw allen door Oranje om de tuin werden geleid om in te stemmen met de overeenkomsten gesloten met de edelen. Toch waren die met geweld en vrees afgedwongen, mishaagden ze mevrouw van Parma en werden ze op koninklijk bevel ongeldig verklaard, terwijl Oranje leugenachtig beweerde dat mevrouw van Parma ermee instemde, opdat ze door allen zouden worden aanvaard.
[1] Kennelijk: om hun religie openlijk te belijden.
[2] Willem van Oranje.
[3] Namelijk de inzet van militairen.
[4] Het bovengenoemde akkoord van 23-25 augustus 1566.
47r
Inter varias Hollandicarum civitatum turbas intacta constiterat Gouda immortali
laude trium consulum Hadriani Gerardi Joannis Gerardi Stempelij et Joannis
Gerardi Heij qui etiam contranitente quarto suo collega heretico Gerardo Gerardi
ostenderunt quantum intersit principis ut magistratus sit catholicus et Regi fidelis
Aegre ferebat hoc Auraicus cum itaque sciret moris esse ut calendis Januarij
magistratus renovetur per 40 viros qui nominando magistratui praesunt hoc egit
ut praedicti consules deponerentur tanquam republica non ex fide administrata
Imprimis autem quod non praemonito integro senatu a Parmensi petijssent et
obtinuissent licentiam conscribendi ex sua plebe 300 stipendiarios Quod baiulos
et per illos cives induxissent ad iurandum defensionem templorum et cleri
quodque ex mandato Parmensis prohibuissent moenibus Dominum Cloetingium et Dominum
Langerackium cum sua coniuge et familia ex eo quod symbola hereticorum
publice deferrent Fecitque Auraicus per predictos nominari a 22 xxx personas
minus catholicas ex quibus ipse tanquam gubernator deinde 11 pessimos delegit
ex quibus quatuor consules et reliqui scabini sive judices essent unde ingens
murmur exortum est inter catholicos tanquam civitate intra hereticorum manus
(ut vere erat) tradita Heretici vero quasi accepta tessera continuo ceperunt
seipsos exercere in addiscendo cantu suorum psalmorum et 19 Januarij in edibus
cuiusdam advenae dicti Jacobus Calvinus qui in coemeterio maioris ecclesiae a latere
aquilonari habitabat primam suam concionem celebrant ad illam invitatis suis
omnibus symmistis et tam alte xxx vociferabantur ut cantus eorum
distincte per totum coemiterium audiretur ortusque est ob eam rem magnus populi
confluxus ceperuntque pueri ante praedictas aedes alta voce decantare notissimam
cantilenam Christus is opgestanden ita ut hereticorum voces non audirentur fuitque
gravis motus per totam civitatem ita ut Castellanus et praetor accurrerent
praeciperentque dicto Jacobo Calvino cantum ut cessare faceret non tamen hereticorum
conventiculum (quod xxx debebant) turbarunt vel dissiparunt verum
consules convenientes in aedibus xxx supremi consulis
quem insequentibus annis hereticorum xxx cognovimus et vidimus ad se
advocant dictum Jacobum Calvinum sciscitanturque quanam authoritatem novitatem
hanc inducere ausus esset Ille cum suo concionatore Sasboldo xxx
comparens respondet verbum dei liberum esse oportere magisque obediendum esse
Deo quam hominibus asserebantque aperte non minus hoc sibi licere respondere quam
Apostolis cum dicerent se spiritum dei accepisse non minus quam Paulum Apostolum Recte admonet
Augustinus Hereticorum non esse frontem non esse frontem
alter enim eorum qui hoc tam impudenter astruebat ante paucos dies per
praetorem Goudanum deprehensus fuerat in publico lupanari rem habens cum
xxx coniugata Consules audito hoc responso ipsis interdixerunt
ne quid simile in posterum committerent verum verbis tam blandis et
languidis ut statim libellum offerrent supplicantes ut sibi publicum sue
religionis exercitium concederetur verum magistratus seditionem veritus
populo turmatim ad fores consulis accurrente retento libello utrumque per
posticum libere exire permisit miseruntque viatorem qui in aedibus dicti Jacobi
quantus esset conventus inspiceret verum cum is in cubiculum ingrederetur
quia sub noctem jam tenebre incipiebant qui congregati erant omnes simul
candelas extinxerunt et per fenestras vicinorumque edes elapsi sunt Sequenti die
Te midden van de verschillende woelingen in de Hollandse steden was Gouda onaangetast staande gebleven, tot onsterfelijke roem van drie burgemeesters, Adriaan Gerritsz, Jan Gerrit Stempelsz en Jan Gerritsz Heye.[1] Ondanks de tegenwerking van hun vierde collega, de ketter Gerrit Gerritsz,[2] lieten zij zien hoeveel het voor Filips II uitmaakt of de magistraat katholiek is en trouw aan de Koning. Oranje was hier boos over. Omdat hij wist dat het de gewoonte is dat op 1 januari de magistraat wordt vernieuwd door de Veertig Mannen die bevoegd zijn voor de nominatie, stuurde hij erop aan dat de genoemde burgemeesters werden afgezet, onder het voorwendsel dat ze de publieke zaak niet getrouw hadden bestuurd, maar vooral omdat ze, zonder tevoren de voltallige vroedschap in te lichten, aan mevrouw van Parma verlof hadden gevraagd en van haar hadden gekregen om uit hun werkvolk 300 huurlingen aan te werven, en omdat ze de sjouwers en via hen de burgers ertoe hadden bewogen om te zweren de kerken en de geestelijkheid te verdedigen. Nog een reden was dat ze op bevel van mevrouw van Parma de heer van Cloetinge en de heer van Langerak met hun echtgenotes en familie hadden verhinderd binnen de muren van de stad te komen, op grond van het feit dat ze openlijk de emblemen van de ketters droegen.[3] Oranje liet door de genoemde Veertig Mannen 22 minder-katholieke personen nomineren, waaruit hij als stadhouder vervolgens zelf de elf slechtste uitkoos; van hen moesten er vier als burgemeesters dienen en zeven als schepenen oftewel rechters. Hierdoor is onder de katholieken geweldig gemor ontstaan, alsof de stad werd overgeleverd in de handen van de ketters, zoals ook werkelijk het geval was.[4]
Op de ontvangst van dit parool[5] begonnen de ketters zich meteen in te spannen om hun psalmgezang te oefenen, en op 19 januari vierden ze hun eerste bijeenkomst in het huis van een vreemdeling genaamd Jacobus Calvinus, die aan de noordkant aan het kerkhof van de hoofdkerk woonde; al hun religiegenoten waren hiervoor uitgenodigd. Ze zetten zo’n keel op dat hun gezang over heel het kerkhof duidelijk te horen was. Daardoor ontstond een grote volksoploop, en kinderen begonnen voor het genoemde huis met luide stem het welbekende lied Christus is opgestanden te zingen, zodat de stemmen van de ketters niet meer te horen waren. Heel de stad was in heftige opschudding, zodat de slotvoogd en de schout[6] toesnelden en de genoemde Jacobus Calvinus te verstaan gaven dat hij het zingen moest laten ophouden. Maar ze verstoorden het conventikel van de ketters niet en joegen het niet uiteen, zoals ze wel hadden moeten doen. De burgemeesters kwamen bijeen in het huis van de eerste burgemeester, die we in de daarop volgende jaren hebben leren kennen en meemaken als een ketter.[7] Ze riepen de genoemde Jacobus Calvinus bij zich en wilden van hem weten wat het gezag dan wel was op grond waarvan hij deze nieuwigheid had durven invoeren. Die verscheen samen met zijn predikant Sasbout en antwoordde dat het woord Gods vrij behoort te zijn, en dat men Gode meer moet gehoorzamen dan de mensen. Calvinus en Sasbout beweerden openlijk dat het hun even vrij stond dit antwoord te geven als de apostelen, zeggend dat zij de Geest Gods niet minder hadden ontvangen dan de apostel Paulus. Terecht waarschuwt Augustinus dat het gelaat van ketters niet hun echte gelaat is. Een van de twee die dit zo onbeschaamd beweerden, was een paar dagen tevoren door de schout van Gouda betrapt in een openbaar bordeel, waar hij verkeer had met een getrouwde vrouw.
Toen de burgemeesters dit antwoord hadden vernomen, verboden ze hun in de toekomst nog eens een dergelijke overtreding te begaan. Maar ze deden dit in zo vriendelijke en slappe bewoordingen, dat de twee dadelijk een geschrift overhandigden waarin ze verzochten om hun de openbare uitoefening van hun godsdienst toe te staan. De magistraat, die een opstand vreesde omdat het volk in drommen bij de voordeur van de burgemeester te hoop liep, nam het geschrift in ontvangst en liet de twee mannen door de achterdeur vrij vertrekken. Ook stuurden ze een bode om in het huis van genoemde Jacobus te gaan kijken hoe groot de bijeenkomst was. Maar toen die het vertrek binnen ging – de duisternis van de nacht begon al te vallen – doofden de deelnemers aan de bijeenkomst allemaal tegelijk hun kaarsen en ontsnapten via vensters en buurhuizen.
De volgende dag,
[1] Voor deze personen zie de Duizend van Gouda (DvG) op de website van het Streekarchief. Adriaan Gerritsz van Oudewater: DvG 523. Jan Gerrit Stempelsz: DvG 533. Jan Heye Gerrit Daemsz: DvG 932.
[2] Gerrit Gerritsz de Lange: DvG 527. Hij was een van degenen die op 26 juli 1573 uit de vroedschap werden verwijderd wegens gebrek aan loyaliteit aan de Opstand; een ‘ketter’ zal hij dus wel niet zijn geweest.
[3] De heren van Cloetinge en Langerak worden niet genoemd onder de ondertekenaars van het Verbond der Edelen: G. Bonnevie-Noël, ‘Liste critique des signataires du Compromis des Nobles,’ Vereniging voor de Geschiedenis van het Belgische Protestantisme V.3 (1968) 80-110. Het smeekschrift dat de edelen op 5 april 1566 bij de landvoogdes indienden, werd de aanleiding voor de geuzennaam. Voor de geuzenpenning met de afbeelding van de bedeltas zie Peter Arnade, Beggars, iconoclasts and civic patriots. The political culture of the Dutch Revolt (Ithaca – Londen 2008) 76-82.
[4] De kwalificatie van de partijen in Gouda als ‘katholiek’ tegenover ‘ketters’ komt geheel voor rekening van Stempelsz / Dusseldorp.
[5] De Annalen suggereren dus dat de vernieuwing van de magistraat in ‘ketterse’ zin voor de protestanten het sein was om ook in Gouda voor de dag te komen. Het nu volgende relaas over Jacobus Calvinus en de zijnen wordt in hoofdlijnen bevestigd door de toelichting bij het vonnis dat Alva’s Raad van Beroerten in oktober 1568 over deze personen velde: Jacob Marcus, Sententien en indagingen van den hertog van Alba (Amsterdam 1735) 175-176.
[6] Het Latijn heeft castellanus et praetor. Met de eerstgenoemde zal de kastelein Cornelis van der Mijle zijn bedoeld, die tevens titulaire baljuw-schout was. Zijn substituut was Johan Pietersz, die in Nederlandse bronnen gewoonlijk ‘schout’ wordt genoemd. In zijn Goudsche en andre daartoe dienende katolijke kerk-zaaken (ed. Abels e.a.; Gouda 2012) p. 54 schrijft Walvis aan Van der Mijle een hoofdrol toe in het vermijden van de beeldenstorm.
[7] De eerste burgemeester was Jan Dirk Hoensz van Souburch (DvG 511); overleden in 1568.
47v
qui erat Ianuarij vigesimus magistratus publice interdixit ne quis in posterum
huiusmodi conventicula agere praesumeret sub pena corporali Sed ut fucum faceret
catholicis hoc agebat Nassovicus magistratus quod ipsum quoque non ignorabant
heretici Eodem namque die praedicti Jacobus et Sasboldus cum septem
sibi similibus agressi sunt Pastorem ab ecclesia domum suam revertentem eumque
in coemiterio magnis clamoribus exagitarunt appellantes eum proditorem, lupum
sanguinolentum, verbi dei falsarium Tu (inquiebant) adhuc heri in castro
huius urbis ut sanguis noster funderetur institisti Tu Middelburgi ut duae oviculae
Christi pro eius evangelio morirentur fecisti Tu es seductor tui ovilis Nos
te in forum trahemus et ibi tecum disputabimus sub pena ignis qui victus
fuerit et similia infinita Cum haec ad notitiam Consulum pervenissent
illi imprimis inquisitionem non contra hos nebulones sed contra Pastorem instituunt
sperabant enim probari [1] pastorem aliquam huic rixae occasionem dedisse
examinant itaque omnes qui adfuerant ♯[2] specialiter vero adolescentem quendam
qui confitebatur se internuntium fuisse advocandis hereticis ad proximum
conventum verum nullam vel minimam contra Pastorem calumniam commi-
nisci potuerunt modeste enim atque mansuete responderat nihil se tale fecisse
sed in concionibus fecisse quod sui erat officij ♯[3] Spe itaque sua contra
Pastorem frustrati Consules non tantum contumeliosos illos nebulones
impunitos reliquerunt verum etiam cum audijssent pueros illos qui sua
cantilena hereticorum psalmodium interpellassent ad hoc illectos fuisse
a quibusdam mulierculis xxx [4] ficus poma et similia bellaria iusserunt ut
praetor contra illas inquirerext tanquam huius tumultus authores omissis
hereticis qui vere eorum caussa extiterant Cum vero mulierculis litem
intentare non auderent pauperem quendam Bajulum Adrianum Nicolai
nominatum in ius vocari iussit pretor 23 huius mensis eique pro crimine
imputat quod cum in festo Sancti Bartholomei proxime preterito hora nona
vespertina coemiterium transiret videretque tres in muro cemiterij sedentes de
confractione imaginum et profanatione ecclesiarum colloquentes suspicatus
(licet temere) illos consilia de iconoclasia conferre dixisset Si vos scirem
eius intentionis esse pugionem vobis in cor adigerem et si quisquam se commo-
verit ipsum adoriar simulque cultrum exemerat ingeminando scimus quid
nobis a consulibus mandatum sit et primus eorum ero qui de sacrilegis
vindictam sument quare contendebat praetor eum feriendum mulcta 10
librarum condemnatusque est miser ille catholicus a magistratu duas ut
libras pro mulcta penderet et proximo iuridico conventu de geniculis
remissionem tanti criminis peteret a deo et a Iudicibus cum tamen
nec contra Deum nec contra iustitiam quicquam commisisset imo
laudandus esset in tam pio zelo sed hoc agebat magistratus Nassovicus
ut huiusmodi medijs catholicos timidos faceret ne quicquam contra heresim
loqui vel facere auderent Quinimo ut non tantum ipsi impune
peccarent dissimulando cum hereticis imo fovendo eosdem sed etiam optimos
consules anni praeteriti in odium apud catholicos adducant criminantur
ipsos quasi etiam suo tempore conventicula ab hereticis fieri probe scivissent
sed commodi sui caussa dissimulassent Verum illi cum se paratos dicerent
[1] bovengeschreven: posse
[2] in marge: imo etiam ipsum Pastorem
[3] in marge: adijcere hic debeo Consulis / xxx vel stultitiam vel / arrogantiam qui cum laicus / esset et indoctus et vix unquam / pastoris sui concioni interesset /ei tamen praescribere voluit / quomodo concionaretur xxx / domine Pastor (inquiens) oporte/bat te hoc tempore cessare / a redarguendis hereticis ne / irritentur Cui bene pastor / Oportet me hoc tempore / precipue ipsorum errores / redarguere ne incauti per / ipsos decipiantur
[4] bovengeschreven: per
de twintigste van januari, verbood de magistraat op lijfstraf dat iemand het voortaan nog zou wagen dergelijke conventikels te houden. Maar de Oranjegezinde magistraat handelde zo om de katholieken schone schijn voor te houden, iets wat de ketters ook heel goed begrepen. Want op diezelfde dag vielen de genoemde Jacobus en Sasbout met zeven gelijkgestemden de pastoor aan toen hij van de kerk naar huis terugkeerde, waarbij ze hem onder luid geschreeuw een verrader noemden, een bloederige wolf, een vervalser van Gods woord. ‘Jij’ – zeiden ze – ‘hebt er gisteren in het kasteel van deze stad nog op aangedrongen dat ons bloed vergoten zou worden, jij hebt er voor gezorgd dat in Middelburg twee schaapjes van Christus voor Zijn evangelie zijn gestorven, je bent een verleider van je kudde, we zullen je voor het gerecht slepen en daar met je disputeren, op straffe van de vuurdood voor degene die verliest’, en oneindig veel meer van dergelijke bedreigingen.
Toen dit ter kennis van de burgemeesters was gekomen, stelden die als eerste een onderzoek in niet tegen deze windbuilen maar tegen de pastoor; want ze hoopten dat bewezen zou kunnen worden dat de pastoor een of andere aanleiding tot deze scheldpartij had gegeven. Ze ondervroegen dus allen die erbij waren geweest, ja ook de pastoor zelf, maar in het bijzonder een zekere jongeman, die bekende dat hij de tussenpersoon was geweest om de ketters bijeen te roepen voor hun volgende bijeenkomst. Maar tegen de pastoor konden ze niet de geringste aanklacht in elkaar zetten; die had namelijk bescheiden en zachtmoedig geantwoord dat hij niets dergelijks had gedaan, maar dat hij zijn preken had gehouden op de manier die bij zijn ambt hoorde. Hier moet ik ook de stupiditeit of arrogantie van de burgemeester noemen die, hoewel hij een leek was en ongeleerd en hoewel hij nauwelijks ooit een preek van zijn pastoor bijwoonde, hem toch wilde voorschrijven hoe hij moest preken. ‘Heer pastoor’ – zei hij – ‘nu had u moeten ophouden de ketters te weerleggen, om hen niet te verbitteren. Waar is dat nog goed voor?’ De pastoor antwoordde:[1] ‘Juist op dit moment moet ik hun dwalingen weerleggen, zodat argelozen niet door hen bedrogen worden.’ Teleurgesteld in hun hoop op een actie tegen de pastoor lieten de burgemeesters niet alleen die lasterlijke windbuilen ongestraft vrijkomen, maar toen ze hoorden dat de kinderen die met hun lied het psalmgezang van de ketters hadden onderbroken, daartoe door een paar vrouwtjes met vijgen, appels en dergelijke lekkernijen waren aangezet, gaven ze de schout bevel een onderzoek tegen die vrouwen in te stellen, alsof zij de aanstichters van de opschudding waren geweest, met voorbijgaan aan de ketters die er de echte oorzaak van waren.
Maar omdat ze de vrouwen geen proces durfden aandoen, liet de schout op de 23ste van die maand een arme sjouwer genaamd Adriaan Claasz voor het gerecht dagen.[2] Als beschuldiging bracht hij tegen hem een voorval in dat had plaatsgevonden op de laatste feestdag van Sint-Bartholomeüs.[3] Toen Adriaan die dag om negen uur ’s avonds over het kerkhof was gekomen, had hij gezien hoe drie personen, op de muur van het kerkhof gezeten, met elkaar spraken over het stuk slaan van beelden en de ontheiliging van kerken. Hij verdacht hen, hoewel lichtvaardig, van het smeden van plannen voor een beeldenstorm, en zei: ‘Als ik wist dat jullie dat van plan waren, zou ik jullie een dolk in het hart steken; als iemand beweegt, val ik hem aan.’ Tegelijk haalde hij zijn mes tevoorschijn en hernam het woord: ‘We weten dat ons dit door de burgemeesters is opgedragen; en ik zal de eerste zijn van degenen die wraak nemen op de heiligschenners.’ Daarom eiste de schout dat hem een boete van tien pond zou worden opgelegd. Zo werd die arme katholiek door de magistraat veroordeeld om twee pond boete te betalen en op de eerstvolgende rechtsdag werd hij gedwongen op de knieën vergiffenis voor zo’n groot misdrijf te vragen aan God en aan de schepenen, hoewel hij toch niets had misdreven tegen God of het recht, maar integendeel geprezen had moeten worden bij zo’n vrome ijver.
De Oranjemagistraat pakte het op deze manier aan om met dergelijke maatregelen de katholieken bang te maken om ook nog maar iets tegen de ketterij te zeggen of te doen. Sterker nog, om niet alleen zelf ongestraft te kunnen zondigen, door de toedracht inzake de ketters toe te dekken en hen zelfs te bevoordelen, maar om ook de voortreffelijke burgemeesters van het voorafgaande jaar bij de katholieken in een kwaad daglicht te plaatsen, beschuldigde de nieuwe magistraat hen ervan dat zij heel goed hadden geweten dat er ook in hun ambtsjaar conventikels door de ketters werden gehouden, maar dat zij dit uit eigenbelang hadden verheimelijkt. Maar toen de oud-burgemeesters zeiden bereid te zijn
[1] Er staat pastor, dat zowel ‘herder’ als ‘pastoor’ betekent.
[2] Het sententieboek (Rechterlijk Archief inv. 177) heeft geen weet van deze zaak.
[3] 24 augustus (1566). Dit viel in de week waarin elders de Beeldenstorm in volle gang was.
48r
iuramento declarare nihil tale unquam ad se delatum vel dissimulaturos
fuisse tota ista calumnia in fumum abijt et magistratum magis suspectum
reddidit
onder ede te verklaren dat er nooit iets dergelijks bij hen was aangebracht of dat zij dit verborgen hadden willen houden, ging al die laster in rook op en maakte dit de magistraat nog meer verdacht.
65r
Praepositus Sancti Salvatoris Ultrajectensis comes Rennebergius 28 Iulij
synodum pastorum suae iurisdictionis Goudae habuit et tantum 4 ex ijs
xxx vitae vel doctrine integre reperit ex omnibus qui intra Leckam et
isalam ecclesijs praeerant ita ut mirum non sit in tales calamitates
nos incidisse
De proost van Sint-Salvator in Utrecht, de graaf van Rennenberg,[1] hield op 28 juli met de pastoors van zijn rechtsgebied een synode in Gouda. Van alle pastoors die in het dekenaat Lek-en-IJssel aan het hoofd van een kerk stonden, bevond hij er slechts vier zuiver van leven of leer; het is dus niet verwonderlijk dat we in dergelijke rampspoed zijn vervallen.
[1] Herman graaf van Rennenberg, kanunnik te Luik, werd op 9 april 1566 benoemd tot proost van Oudmunster (Sint-Salvator). Als zodanig was hij tevens aartsdiaken over een gedeelte van het bisdom Utrecht; Gouda was de grootste stad binnen zijn aartsdiakonaat.
65v
Bossuvius Leid Delfos contendit ex Ordine sagittariorum
omnes hereticos eijcit et arma tradere iubet 20 Augusti et nonnullos ex icono
clastis in carcerem conjicit #[1] Leidam vero missus Sasboldus senator
regius idem fecit 25 Augusti Ut et Amsterdami ubi sagittarij noviter electi
iuramento rogantur defensionem catholice fidei Goudae similia fecerunt senators
[2] Le Marche et Adrianus Verhouff /
[1] in marge: et absentium bona annotavit
[2] in marge: Jacobus
[De benoeming van Bossu tot stadhouder op 17 juni 1567 bracht overal in Holland de stadsmagistraten weer in het gareel.]
Bossu haastte zich naar Delft, verwijderde alle ketters uit de rangen van de schutters en beval hun op 20 augustus de wapens in te leveren. Sommige beeldenstormers gooide hij in de kerker, van afwezige nam hij de goederen in beslag. De koninklijke raadsman Sasbout, die naar Leiden werd gestuurd, deed daar hetzelfde op 25 augustus, en zo deed hij ook in Amsterdam, waar van nieuw gekozen schutters een eed werd verlangd dat zij het katholieke geloof zouden verdedigen. In Gouda werd hetzelfde gedaan door de raadslieden Jacobus Le Marche en Adriaan Verhouff.[1]
[1] Over deze personen werden geen nadere bijzonderheden gevonden.
66v
Eodem quoque tempore
Goudae quinque naves bellicas munire praecepit quae flumini reno presidio essent
eo quod rebelles magnos delictus agere dicerentur in Germania et quaedam
moliri contra Scoonhoviam Brielam et Roterodamum per secretos suos
proditores
Terzelfdertijd droeg de hertog van Alva Gouda op vijf oorlogsschepen uit te rusten die een wacht moesten vormen op de Rijn, en wel omdat van de opstandelingen werd verteld dat zij grote misdaden begingen in Duitsland en dat zij via hun heimelijke verraders iets probeerden te ondernemen tegen Schoonhoven, Den Briel en Rotterdam.
97v
Eodem die conventus Ordinum Hollandie
in quo uxor et cognati Jacobi Endovij advocati Ordinum Hollandie
multum institerunt ut Ordines xxx caussam eius susciperent cum in eorum
obsequium et utilitatem hanc sibi molestiam conciliasset Diu sane
et graviter tunc altercatum est [1] quatuor ex maioribus Hollandie
civitatibus #[2] illum defendendum putabant sed in contrarium plane fere-
bantur Dordraceni et Goudani dicentes caussam illam nihil tangere
Ordines privato consilio cepta privatis opibus terminaret et haec senten-
tia demum prevaluit
[1] bovengeschreven: nobiles et
[2] in marge: # scilicet Harlemum Delfi / Leida et Amsterdamum
Op dezelfde dag [29 augustus 1568] werd een vergadering van de Staten van Holland gehouden, tijdens welke de echtgenote en verwanten van Jacobus Endovius, advocaat van de Staten van Holland, er sterk op aandrongen dat de Staten de zaak van Endovius op zich zouden nemen, omdat hij zich in hun dienst en belang deze ellende op de hals had gehaald. Er is toen lang en ernstig over gedelibereerd. De edelen en vier van de grote steden van Holland, namelijk Haarlem, Delft, Leiden en Amsterdam, meenden dat Endovius verdedigd moest worden, maar de opinie van die van Dordrecht en Gouda ging precies in tegenovergestelde richting. Zij zeiden dat die zaak de Staten helemaal niet aanging; wat uit private overweging was begonnen moest ook op private kosten worden beëindigd. Uiteindelijk kreeg dit laatste oordeel de overhand.
162v
Cum rumor captarum Valencenarum a Ludovico Nassovio per Hollandiam
percrebuisset statim ceperunt heretici efferre caput et imprimis Goudani
qui 13 Maij sub praetextu fugandi hispanos quos in castro et conventu
minoritarum absconditos calumniabantur ut ab illis ad exemplum Rotero-
damensium opprimerentur primo per vim castri portas et deinde minori
tarum conventum effringunt Ad quos statim ab ijs qui Brielam occupa
rant mittuntur litere Nassovij ex arce Dillenburgana scriptas[1] (vacuam
enim et signatam ab eo chartam habebant Brielani) quibus eorum prudentiam
laudat quod castro occupato providissent ne ab Hispanis invaderentur
pergerent porro se illis quamprimum auxilio adfuturum verum cum valde
indigeret pecunia ad colligendum militem petere se ut collata pecunia subsi-
dium facerent se illos a decimatione et vigesimatione iugoque omni Hispanorum
ipsos asserturum et patrie privilegia [2] propugnaturum His adiunxerunt
suas literas xxx exules et occupatores
Brielensium petentes ut pecunia colligenda ad se transmitteretur #[3]
Paucis elapsis diebus Brielenses cum in suam rebellionem pertraxissent
speculatorias naves (wtleggers vocant) Dordracensium, illis nihil re-
sistentibus adverso flumine Issula Aquas veteres advehuntur et xxx 15
Iunij illud xxx oppidum proditione capiunt Seditiosi Goudani hoc intellecto
coeunt 400 fere naute et aliquot sellularij opifices atque baiuli et Briela
evocant Adrianum Swietenium ab Albano proscriptum qui xx [4] conniventibus
Dordracensium speculatorijs Aquas veteres advolat et 20 Iunij de nocte
Goudam pergit eique obviam ituri naute fere 40 et aliquot rebelles vi effringunt
portam Cleyweganam atque Swietenium cum 40 non amplius suorum comi-
tatum introducunt qui statim domum civicam occupata xx et mox totam
urbem pro rebellibus occupat hora circiter quarta matutina
[1] bovengeschreven: ae
[2] bovengeschreven: libertatemque religionis
[3] in marge: # similes litere ab illis nebu/lonibus missae sunt ad ple/rasque alias Hollandie civi/tates multique magistratus / easdem non apertas ad presidem senatus Regij Hagam miserunt
[4] bovengeschreven: 18 iunij
Toen het gerucht van de inname van Valenciennes door Lodewijk van Nassau in Holland algemeen bekend was geworden, begonnen de ketters meteen het hoofd op te steken, en vooral onder de Gouwenaars. Onder het mom de Spanjaarden te verdrijven die ze ervan belasterden dat zij zich in het kasteel en het minderbroederklooster schuilhielden om hen net zoals de inwoners van Rotterdam te onderdrukken, braken de ketters op 13 mei[1] eerst de poorten van het kasteel en daarna het convent van de minderbroeders open. Onmiddellijk stuurden degenen die Den Briel hadden bezet hun een brief van Nassau toe die vanuit de burcht Dillenburg geschreven was; de Brielenaars waren namelijk in het bezit van een blanco door de Prins ondertekend document. In de brief prees hij hun[2] vooruitziende blik omdat ze er door de bezetting van het kasteel voor hadden gezorgd dat de Spanjaarden de stad niet konden binnendringen. Hij schreef dat ze zo moesten doorgaan; dat hij hun zo spoedig mogelijk te hulp zou komen; maar omdat hij dringend geld nodig had om een leger bijeen te brengen, verzocht hij hen geld in te zamelen en ondersteuning te bieden. Hij zou hen vrijwaren van de tiende en de twintigste penning en van heel het juk van de Spanjaarden en de privileges van hun vaderstad en de vrijheid van godsdienst verdedigen. Hieraan voegden de ballingen en bezetters van Den Briel hun eigen brief toe, met het verzoek geld bijeen te brengen en aan hen toe te zenden. Gelijke brieven werden door die windbuilen naar verscheidene andere steden in Holland verzonden, en veel magistraten stuurden die ongeopend naar de president van de Raad des Konings in Den Haag.[3]
Nadat[4] enkele dagen waren verstreken, voeren de Brielenaars, nadat ze de verkenningsschepen van de Dordtenaars – ze worden uutleggers genoemd – zonder verzet naar hun opstand hadden weten over te halen, stroomopwaarts de IJssel op in de richting van Oudewater, en op 15 juni namen ze die stad in door verraad. Hiervan op de hoogte gebracht kwamen opstandige Gouwenaars bijeen, ongeveer 400 schippers en een aantal handwerkslui, bouwvakkers en sjouwers, en ontboden Adriaan van Swieten, die door Alva was verbannen, uit Den Briel. Deze zeilde op 18 juni – ongehinderd door de Dordtse verkenningsschepen – naar Oudewater en ging op 20 juni ’s nachts op weg naar Gouda. Zo’n 40 schippers en een aantal opstandelingen, die hem tegemoet wilden gaan, braken met geweld de Kleiwegspoort open en lieten Van Swieten met 40 man, niet meer, van zijn gezelschap de stad binnen. Die bezetten meteen het stadhuis en snel ook heel de stad ten behoeve van de opstandelingen, ongeveer om vier uur in de morgen.
[1] Deze datum is onjuist. Het gebeuren in Gouda vond al plaats op 9 april, nadat Spaanse soldaten op 8 april in Rotterdam een bloedbad hadden aangericht; de inname van Valenciennes was pas op 23 mei 1572.
[2] Van de Gouwenaars.
[3] Uit andere bronnen zijn twee brieven bekend die Willem van Oranje vanuit Dillenburg naar Gouda zond. De eerste was van kort vóór het oproer bij het kasteel. Hiervan kennen we niet de inhoud, maar wel de gang van zaken bij de heimelijke bezorging aan burgemeester Jan Jacobsz van Rosendael (handschrift Doncker f. 52v-53v; handschrift Abbesteech f. 115v-116r; Walvis, Beschryving I 340; zie volgende noot). De tweede, die dateert van 22 april, is een algemene rondzendbrief. De tekst is in vertaling beschikbaar in Paul H.A.M. Abels, ‘Gouda sluit zich aan’ in: M. Eekhout e.a. (red.), Willem van Oranje in brieven. De Opstand in 1572 (Zwolle 2022) 64-73. Blijkens de database met de briefwisseling van Willem van Oranje van HuygensING, nr. 4677, is deze brief door het stadsbestuur van Gouda ongeopend naar Alva doorgestuurd en op die manier in het Algemeen Rijksarchief in Brussel beland. De toedracht die de Annalen schetsen, is met deze gegevens niet goed verenigbaar. Deze brieven zijn niet opgenomen in de uitgave Was geteyckent Guillaume de Nassau van het Streekarchief en het Transcriptiecafé (2022).
[4] Het uitvoerigste relaas over de overgang van Gouda naar de prins, verteld vanuit het perspectief van de opstandelingen, is het zogenaamde Pertinent Verhael, dat in drievoud is overgeleverd: in Walvis’ Beschryving I 338-371, maar ook in de Stadsbeschrijving van Paulus Doncker, f. 51r-82r, en in de Aantekeningen van Abbesteech, f. 115r-129r, beide te vinden op de site van GOS.
142v
Ubi autem
rumor increb[r]uit Albanum montes Hannoniae velle
obsidere rebelles qui in varijs Hollandie locis metu
Hispanorum se continuerant – tanquam dato signo e la
tebris suis arma corripiunt exceptis Amsterdamensibus
Roterodamensibus Schoonhovianis et reliquis illis locis
ubi Hispanorum praesidia erant
‡[1] Occupata Gouda statim 23 Iunii etiam Leidenses #[2] hereticos admiserunt
et 25 Iunii Dordracum atque Harlemum et postridie Gorcomium Ro-
terodamum Schiedamum Flardingia et quae ante mensem fere in parte
Hollandie septentrionali xxx xxx excepto Amstelodamo et
Schoonhovia fere tota Hollandia furore quodam ‡
#[3] Delfenses enim [4] adhuc in ambiguo
haerebant quod undique Hispanorum praesidijs cincti
[1] De passage van ‡ tot ‡ is afkomstig van F. 163r. Hier ingevoegd door Fruin, om de sequentie van de gebeurtenissen duidelijker te maken.
[2] in marge: # communicato Goudae cum / Swieteno consilio
[3] Vanaf dit punt pakt Fruin de tekst van F. 142v weer op.
in marge: # [furore quodam] popu/lari bacchantibus / omnibus et oppresso / magistratu cui / quibusdam in locis / vix ante triduum / fidelitatis iuramen/tum renovarant
[4] bovengeschreven: autem
Toen het gerucht rondging dat Alva Bergen in Henegouwen wilde belegeren, grepen de opstandelingen, die zich in verschillende plaatsen in Holland uit angst voor de Spanjaarden hadden stilgehouden, de wapens alsof er een teken was gegeven, behalve die van Amsterdam, Rotterdam en Schoonhoven en de overige plaatsen waar de Spanjaarden garnizoenen hadden. Nadat Gouda was bezet, lieten meteen op 23 juni ook de inwoners van Leiden ketters binnen, na raadpleging van Van Swieten in Gouda. Op 25 juni gebeurde dat eveneens in Dordrecht en Haarlem en de dag erna in Gorinchem [Rotterdam, Schiedam en Vlaardingen]. Hierdoor raakte alles in een soort volkswoede in rep en roer. De magistraat, aan wie men op sommige plaatsen amper drie dagen eerder nog de eed van trouw had vernieuwd, werd overrompeld. Maar de Delftenaren bleven nog in tweestrijd hangen, omdat ze aan alle kanten door Spaanse garnizoenen werden omringd en door angst
143r
metu in officio continerentur Vix creditura est posteritas
quanta rabie cives ipsi in templa Divorum imagines
sacrosancta altaria monasteria religiosos et omnes de
nique ecclesiasticos desevierunt Goudae praefectus
ab Auraico constitutus xxx [1] #[2] fratres vero
Hieronimianos [3] miris modis excruciat priorem monasterij
cum [4] juniorem quempiam fratrem cum nudis corporibus [5] per
vepres spinasque miserandum in modum egisset demum occi
di imperat qui singulari constantia mortem oppetentes
hc incredibili splendore vultus et suavi hilaritate
martirij palmam etiam post mortem suam sibi gratulari
videbantur mirante et stupente tota civitate tyranno
illo Swietensi postmodum in tanta inopia decedente ut
liberijs eius postea fere viderim vix panni sus superfuere
superfuerint quibus verenda tegerent quamvis ipsorum
pater #[6] ex calicibus alijsque vasis ecclesiasticis atque predijs
tantum auri pondus coegisset ut ducenta millia florenorum
excedere putaretur Verum tunc et toto hoc bello deinceps
infinities patuit huiusmodi divitias ita partas similes
esse luporum pellibus quae si cum alijs vestibus eadem arca
condantur primum illas deinde etiam seipsas consumunt
[1] Bovengeschreven: dominus Swietensis
[2] in marge: # 24 Iunij / Guardianum Minoritarum / pedibus protrahi fecit per / terram longo spatio
[3] bovengeschreven: eodem die
[4] bovengeschreven: et
[5] bovengeschreven: diu
[6] in marge: # quamvis alioqui etiam splen/dido patrimonio tamen etiam
in het gareel werden gehouden.
Het nageslacht zal nauwelijks geloven hoe groot de razernij was waarmee de burgers zelf tekeer gingen tegen kerken, heiligenbeelden, gewijde altaren, kloosters, religieuzen[1] en kortom alle kerkelijke personen. De gouverneur van Gouda, de heer Van Swieten, liet op 24 juni de kloosteroverste van de minderbroeders een heel eind over de grond aan zijn voeten voortslepen. Op dezelfde dag mishandelde hij de Hieronymusbroeders[2] op een ongelofelijke manier. Hij liet de prior van het klooster[3] en een van de jongere broeders op erbarmelijke wijze langdurig naakt door de doornen jagen en uiteindelijk ter dood brengen. Zij gingen met zeldzame standvastigheid hun dood tegemoet en leken door de ongelofelijke glans en de zachte opgewektheid van hun gelaat zichzelf nog na hun dood geluk te wensen met de martelaarspalm, tot verwondering en verbazing van heel de stad.[4]
De tiran Van Swieten verviel later in zo grote behoeftigheid dat zijn kinderen nauwelijks lappen over hadden om hun schaamte te bedekken.[5] Toch had hun vader, ondanks zijn glanzende erfdeel, uit kelken en ander kerkelijk vaatwerk zo’n gewicht aan goud bij elkaar gebracht dat men meende dat het de tweehonderdduizend gulden te boven ging. Maar toen werd uiteindelijk door heel deze oorlog de onbegrensdheid duidelijk, namelijk dat op deze manier vergaarde rijkdom de eigenschap heeft van wolvenvellen: als ze met andere kleren in dezelfde kist worden opgeborgen, verteren ze eerst die andere kleding en dan zichzelf.
[1] Dat wil zeggen: kloosterlingen.
[2] De Collatiebroeders.
[3] Het Collatiehuis was strikt genomen geen klooster, en het hoofd ervan droeg de titel van rector, niet van prior.
[4] Vergelijk het Goudse martelarenschilderij dat Paul Abels heeft besproken in Tidinge 42 (2024) 16-23; 61-63.
[5] Van Swieten was tot zijn dood in 1584 gouverneur van Gouda. Hij werd begraven in de Sint-Janskerk, waar tot zijn nagedachtenis een rouwbord werd opgehangen. Het beeld dat Dusseldorp van zijn droevig uiteinde schetst is onjuist, zie F.J.W. van Kan, ‘Het middeleeuwse riddermatige geslacht Zwieten: tweede stuk’, Jaarboek Centraal Bureau voor genealogie 38 (1984) 49-96, aldaar 67-69.
159v
Studiose enim hoc tempore quesisse diabolum ut catholicos affligeret
satis probat id quod hoc eodem fere tempore Goudae accidit
ubi probus quidam sacerdos Petrus nomine habebat ancillam vetulam
nomine Christinam xxx optimis quidem moribus, sed malo demone
a longo tempore obsessam, illa cum toto hoc anno nullam xxx eius
[In het voorgaande is verteld hoe de beruchte Lumey in de nacht van 10 op 11 december in Leiden de priester Cornelius Musius wreed liet vermoorden]
Omstreeks deze tijd spande de duivel zich ijverig in om de katholieken te teisteren, hetgeen wordt bewezen door wat er ongeveer gelijktijdig in Gouda gebeurde. In die stad had een brave priester genaamd Pieter een huishoudster, die Christina heette en al op leeftijd was. Ze was een heel fatsoenlijke vrouw, maar was sinds lange tijd bezeten door een kwade demon. Omdat ze dat hele jaar geen enkele werking
160r
agitationem sensisset mirabatur et liberatam se putabat cum
per forum eunti, et nescio quid empture occurrit quidam vestitus oblonga
toga pellibus suffulta promissa barba, rogatque Cristinam num se
nosset, idque ea negante intulit atqui satis diu familiariter tecum
versatus sum Cumque illa rogasset quisnam igitur esset, respondit
se esse demonem ipsius insessorem, propterea se domicilio suo abesse
quod occuparetur gravioribus negotijs, praesertim instruendis hereticis
concionatoribus, quibus etiam in suggestu assisteret, illa perterrita statim
discessit et cum post pauculos dies templum praeteriret, et eo tempore
quo haereticus ibi concionabatur introspicit, et videt eundem demonem
eodem quo sibi apparuerat habitu concionatori a tergo imminere, Nec
est quod putet me quisquam fabulas annalibus meis intexere tam enim
hoc mihi certo constat, quantum humanis rationibus fieri potest Talis
erat qui Lumayum agitabat, et Musium martyrem fecit.
van de demon had bespeurd, was ze verbaasd en meende al dat ze van hem verlost was. Maar een keer liep ze over de markt om iets – ik weet niet wat – te kopen, toen haar een man tegemoet kwam die was gekleed in een lange tabberd gevoerd met bont, en met een lange afhangende baard. Hij vroeg Christina: ‘Ken je me niet?’ Toen ze ‘nee’ zei, wierp hij tegen: ‘en toch ben ik lange tijd vertrouwelijk met je omgegaan.’ En toen ze vroeg wie hij dan wel was, antwoordde hij dat hij de demon was die bezit van haar had genomen. Hij was lange tijd van huis geweest – vertelde hij – omdat hij door serieuzere zaken bezig werd gehouden, vooral met het instrueren van ketterse predikers, die hij ook op het spreekgestoelte bijstand verleende. Zij schrok hevig en ging er meteen vandoor. Toen ze een paar dagen later voorbij de tempel[1] kwam op het tijdstip waarop een ketter daar een preek hield, keek ze naar binnen en zag de demon in dezelfde kleding waarin hij zich aan haar had laten zien vlak achter de rug van de predikant staan. Laat niemand denken dat ik fabels in mijn annalen invlecht: het staat voor mij namelijk even vast als men door menselijke redenering van iets verzekerd kan zijn. Zo een was het die Lumey bewoog en Musius tot martelaar maakte.
[1] Latijn: templum. Het was dus niet de kerk (ecclesia) van Sint-Jan de Doper of een van de kapellen.
219v
Certe vir fuit insignis et doctus qui tamen xxx [1]
xxx
regebatur quaque non parum a vetula quadam ancilla sua Christina Goudan[a]
ita ut licet ipse munera non reciperet tamen qui officium aliquod ambirent
Cristinae cuius manus clausae non erant munera [2] porrigebant quae insigniter
grata etiam multos tales in assessores variarum curiarum promovit mihi
probe notos qui etiam passim consiliarij Christinae vocabantur #[3]
[1] bovengeschreven: ut fertur
[2] bovengeschreven: illa
[3] in marge: # Haec et similia liberius anno/tavi ut cognoscatur a / quibus moderatoribus directa / sint negotia optimi principis / nostri et unde factum sit ut / turbae a paucis ceptae ita / excreverint Nam et hic / secretioris consilij preses / xxx et inter optimos ad [lees: ac] / regi fidissimos erat et / censebatur
[Over Viglius van Aytta worden allerlei bijzonderheden gegeven.[1] Ter afsluiting vertelt Dusseldorp het volgende:]
Hij was zonder meer een uitstekend en geleerd man, maar toch zat hij – zo vertelt men – behoorlijk onder de duim van zijn huishoudster op leeftijd, Christina uit Gouda. Hij mocht dan zelf niet geneigd zijn om geschenken aan te nemen, personen die een ambt ambieerden, stopten die wel toe aan Christina, die haar handen niet gesloten hield. Ze was zo uitzonderlijk invloedrijk dat ze veel van zulke lieden, mij welbekend, tot toegevoegde leden van diverse hoven wist te promoveren; raadslieden van Christina werden ze alom genoemd. Deze en dergelijke zaken heb ik vrijuit opgetekend opdat bekend wordt wat voor bestuurders aan de zaken van onze voortreffelijke vorst leiding hebben gegeven, en hoe het is gekomen dat de woelingen, die door een handjevol personen waren begonnen, zo uit de hand zijn gelopen. Want Viglius was wel voorzitter van de Geheime Raad en werd gerekend tot de besten en degenen die met de Koning het meest vertrouwd waren.
[1] Viglius was, als voorzitter van de Raad van State en van de Geheime Raad, een spilfiguur in de regering van Karel V en Filips II. Over zijn betekenis voor de plaatsing van het Koningsglas in de Sint-Janskerk zie verschillende bijdragen in Wim de Groot (red.), The Seventh Window (Hilversum 2005).
347r
Habes amice lector primum annalium nostrorum
tomum summo studio et optima fide collectum magna mea mo-
lestia et labore Cum enim nemo Catholicus scriptor [1]
qui huic rei operam ex professo dedisset, licet nonnulli de
initijs tumultuum aliqua edidissent, quae tamen nec vidi (licet
potuerim) nec sequutus sum, rerum omnium ipse satis gnarus:
e contrario vero heretici accurata diligentia de omnibus
scripsissent, calumniose derivantes caussam belli in optimum
principem Philippum regem Hispaniarum, eiusque subditos
Catholicos, urgebat me conscientia mea ne veritatem in
corde meo absconderem, praesertim ab ignara posteritate, sed
aperte illam predicarem in ecclesia magna id est Catholica
Romana, cuius infallibili iudicio et censurae tam haec quam
omnia alia mea: imo meipsum humillime et ex toto corde
subijcio, quae illa probat mea cognoscens, quae illa reprobat ut non
mea detestans Ne autem ingratus sim et alienis laboribus
laudem suam delegem [2] ingenue fateor me in primo quinquennio
horum Annalium singulariter adiutum illis quae summa diligentia
et fide colligerat Joannes Stempelius, ex consulae[3] Goudano
Coloniae pro Catholica religione exulante, et mortuo, quorum
copiam mihi fecit insignis sacerdos Gerardus Stempelius
eius filius et apud Sanctum Georgium Colonie canonicus.
[1] bovengeschreven in andere hand: extaret
[2] bovengeschreven: denegem
[3] lees: consule
Dit, beste lezer, is het eerste deel van onze Annalen, met de grootste ijver en de beste trouw samengesteld ten koste van veel inspanning en arbeid mijnerzijds. Er was namelijk geen enkele katholieke schrijver die zich openlijk met deze zaak had bezig gehouden, hoewel sommigen over het begin van de troebelen bepaalde zaken hebben gepubliceerd, die ik echter niet heb gezien – hoewel ik dat had gekund – en die ik ook niet ben gevolgd, omdat ik zelf van alle zaken voldoende op de hoogte ben. Daarentegen hadden de ketters met nauwkeurige zorgvuldigheid wel over alles geschreven, waarbij ze op lasterlijke wijze de oorzaak van de oorlog op de voortreffelijke vorst Filips, koning van Spanje, en op zijn katholieke ondergeschikten schoven. Om die reden drong mijn geweten me ertoe dat ik de waarheid niet in mijn hart zou verbergen, vooral niet voor het onwetende nageslacht, maar dat ik haar openlijk zou verkondigen binnen de grote, dat is de roomse kerk. Aan haar onfeilbaar oordeel en censuur onderwerp ik zowel dit geschrift als al mijn andere zaken, ja mijzelf, in grote nederigheid en met heel mijn hart: wat zij goedkeurt, erken ik als het mijne, wat zij afkeurt, verfoei ik als niet van mij afkomstig.
Maar om niet ondankbaar te zijn en aan anderen de lof voor hun inspanning te onthouden, erken ik in oprechtheid dat ik bij de eerste vijf jaar van deze Annalen bijzondere steun heb gehad aan datgene wat Jan Stempelsz met de grootste zorgvuldigheid en betrouwbaarheid had verzameld, de oud-burgemeester van Gouda die te Keulen voor het katholieke geloof in ballingschap heeft verkeerd en hier is gestorven. Daarvan is voor mij een kopie gemaakt door de eerwaarde priester Gerrit Stempelsz, zijn zoon, kanunnik in de Sint-Joriskerk van Keulen.
II 236r
Habes Amice Lector historiam continuam annorum 50 foelici numer[o]
et aetati meae synchrono xxx
xx In quorum priore quinquennio profiteor grato animo me plurimum
adiutum per illa quae summa diligentia notarat et collegerat pius senex
Joannes Gerardi Stempelius consul Gaudanus et pro Catholica religione
mortuus in exilio Coloniae. Quorum copiam benigne mihi fecit eius filius Reverendus
Gerardus Stempelius Canonicus apud Sanctum Georgium, et vicarius in summo
Coloniae.
Dit, beste lezer, is een ononderbroken geschiedverhaal van vijftig jaar, een gelukbrengend getal dat samenvalt met mijn leeftijd. Bij de eerste vijf jaar erken ik met dankbaar gemoed ten zeerste te hebben gesteund op datgene wat met de grootste zorgvuldigheid was opgetekend en verzameld door de vrome grijsaard Jan Gerrit Stempelsz, burgemeester van Gouda, voor het katholieke geloof in ballingschap te Keulen gestorven. Daarvan heeft zijn zoon, de eerwaarde Gerrit Stempelsz, kanunnik van Sint-Joris en vicaris van de Dom van Keulen, voor mij welwillend een kopie gemaakt.























