In 1513 heeft Reinier Snoij, vriend van Erasmus en arts van het klooster Stein, een boekje laten drukken met daarin een paar gedichten van Erasmus en zijn vriend Willem Hermansz.
Hij deed dat buiten medeweten van Erasmus. Hij dacht wellicht dat het geschikt lesmateriaal was voor de leerlingen van de Latijnse school. Het boekje is niet eerder in het Nederlands vertaald.
De ‘Groep Latijn’ van Gouda op Schrift heeft gezorgd voor transcriptie en vertaling van de jeugdgedichten van Erasmus uit het boekje Silva Carminum.
Inleiding
Inleiding Silva carminum.
Veertig jaar geleden werd de Stichting Vrienden van Archief en Librije opgericht. Het belangrijkste doel van de Stichting is om het Streekarchief Midden-Holland én de oude stadslibrije in materiële en immateriële zin te ondersteunen. In zijn veertigjarig bestaan heeft de Stichting o.a. geholpen bij de verzorging van particuliere archieven, de aanschaf van boeken, restauraties, en automatiseringsprojecten.
Om dit jubileum luister bij te zetten, heeft het bestuur gezocht naar een gepast aandenken. Voorwaarde hierbij was natuurlijk dat het iets met de stadslibrije en het werkgebied van het streekarchief te maken moest hebben, en dat het iets bijzonders moest zijn.
Erasmus en Gouda, een ijzersterk duo!
We kwamen uit op een uitgave van een boekje met jeugdgedichten van Erasmus, namelijk de Silva carminum, gedrukt te Gouda in 1513. Omdat de originele editie van de Silva carminum uiterst zeldzaam is, hebben we gebruik gemaakt van de foto-lithografische editie die in 1864 te Brussel verscheen met een lange (Franstalige) inleiding door Charles Ruelens. De Goudse librijecollectie bezit hiervan een exemplaar (190. 7377). De Franse inleiding hebben we in onze uitgave weggelaten.
We kennen Erasmus vooral als de grote humanistische geleerde en bijbelvertaler, die in de tumultueuze eerste helft van de zestiende eeuw een gematigd standpunt probeerde in te nemen in de kerkelijke problematiek. Maar verrassend genoeg voelde Erasmus zich in zijn jonge jaren vooral een dichter. Erasmus was al vroeg onder de indruk van en vol bewondering voor de klassieke auteurs. Dit wilde hij ook kunnen: poëzie schrijven zoals de oude Grieken en Romeinen deden. Met uitdagende Latijnse en Griekse metra. En hij was er al vroeg bij. Zijn vroegste jeugdgedichten zijn onder andere gepubliceerd in een klein en zeldzaam boekje, de Silva carminum. Het is uitgegeven door Reinier Snoy, die op een verder niet nader verklaarde manier de hand heeft kunnen leggen op deze jeugdgedichten van Erasmus en Willem Hermansz (Goudanus). Snoy liet ze drukken bij de Goudse drukker Allaerd Gauter in 1513. De gedichten zelf zijn echter van veel vroeger datum, waarschijnlijk uit de jaren ’80-‘90 van de vijftiende eeuw. Willem Hermansz en Erasmus waren boezemvrienden en dachten langs dezelfde lijnen. Ze gingen samen naar school, gingen samen naar Deventer en traden samen in in het klooster Stein. Willem stierf echter al in 1510.
De uitgave die Snoy het licht deed zien was buiten medeweten van Erasmus tot stand gekomen. Hij was daar nogal verbolgen over, want hij meende dat dit kinderwerk zijn reputatie zou kunnen schaden. Later heeft Erasmus zelf een herziene druk uitgegeven.
Het is mogelijk dat Snoy het boekje zag als een boekje voor het onderwijs, dat de leerlingen van de Latijnse school kennis liet maken met de nieuwe - humanistische - introductie tot de bonae litterae. Hierop zou ook de uitstraling kunnen wijzen. Het is namelijk gedrukt in een gotisch lettertype, wat zeer ongebruikelijk is in Latijnstalige boeken, zeker een met humanistische teksten. Maar de schooljeugd kende niet anders dan die dikke, zware gotische letters. Daarmee zijn ze opgegroeid. Dàt konden ze lezen. Of dit idee hout snijdt, weet ik niet; de hypothese zou eens nader onderzocht moeten worden.
Bij zijn streven naar zuivere klassieke vormen botste Erasmus met de scholastieke onderwijsmethoden die in zijn tijd gangbaar waren. Het Latijn van de schoolmeesters was gebrekkig en de kennis van de humaniora minimaal. Hiertegen ging hij in verzet. Dit werd zijn strijd tegen de ‘barbarij’, zoals hij de geest van onkunde en incompetentie noemde. In het bundeltje staat een gedicht dat als een vroege voorloper van het beroemde Antibarbarorum liber - het ‘Boek tegen de barbarij’ - beschouwd wordt. Als zodanig is dit gedicht - in de vorm van een dialoog tussen Erasmus en Cornelius [Aurelius] - nooit in Nederlandse vertaling uitgegeven, evenmin als de andere gedichten in het boekje.
De Silva carminum eindigt met een gedicht van de hand van Willem Hermansz en beschrijft op zwaar retorische wijze het oorlogsgeweld dat aan het eind van de vijftiende eeuw onze contreien onveilig maakte: de ‘Verschijning van de Hollandse maagd die allang gekweld wordt door oorlog, armoede, ziekte en partijtwisten en klaagt over de ellende van haar burgers’.
De bundel wordt afgesloten door het heraldisch wapen van Philips de Schone, koning van Castilië, zoon van Maximiliaan van Oostenrijk en Maria van Bourgondië, als heerser over de Habsburgse Nederlanden. Dit is opmerkelijk, omdat Philips al in 1506 was overleden, zeven jaar voor het jaar van uitgave van de bundel.
Waarom dit wapen hier afgedrukt is, is niet duidelijk. Of het een politieke reden heeft is helemaal niet zeker. Mogelijk is het er alleen gedrukt om het boekje niet met een lege pagina te laten afsluiten.
Links onder het wapen staat een klein wapenschildje van de stad Gouda en rechtsonder een klein drukkersmerk van Allaerd Gauter.
Voor Koen Goudriaan vormde de Silva carminum het startpunt van een onderzoekje naar de ‘Goudse kring van humanisten’, die zich aan het eind van de vijftiende eeuw gevormd had. Hierin figureerden, naast Erasmus, Willem Hermansz en Reinier Snoy (de drie personen die verbonden zijn aan de Silva carminum), ook onder andere Cornelius Aurelius, Franciscus Theodoricus en Henricus Jacobi. De twee laatsten waren ook kloosterlingen van Stein en Henricus Jacobi was bovendien de kopiist van de twee Goudse Erasmiana handschriften. Dan moet nog genoemd worden Jacobus Mauritius. Hij had rechten gestudeerd in Leuven en werd daarna pensionaris van Gouda. Hij trad mogelijk als maecenas op die de leden van de Goudse kring af en toe financieel ondersteunde. Een belangrijkere ondersteunende rol speelde de adellijke familie van de Van Bergens en hun verwanten, de Heren van Veere.
Zoals gezegd is geen van de gedichten in het bundeltje ooit in het Nederlands vertaald. Met de uitgave van de integrale Silva carminum is daar verandering in gekomen.
Silva Carminum
0r

Herasmi
Roterodami
Silva carminum antehac nunquam impressorum.
Satyre tres.
¶ Satyra prima in errores hominum degenerantium
et pro summo celestique bono varias falsorum bonorum species
amplectentium.
¶ Satyra secunda In iuvenem luxuria defluentem
atque mortis admonitio.
¶ Satyra tercia in divitem avarum.
Metrum phalenticum de Nummo.
Apologia Herasmi sub dyalogo lamentabili as-
sumpta adversus barbaros qui veterum eloquentiam contem
nunt et doctam Poesim derident.
Guielmi Goudani.
Prosopopeia Hollandie. bello penuria mor-
bo factionibus iamdiu vexate de suorum calamitate lamen-
tantis.
Erasmus van Rotterdam
Een woud van verzen, nooit eerder in druk verschenen.
Drie satiren.
Eerste satire: over de dwalingen van ontaarde mensen die verschillende soorten van zogenaamd goede zaken omarmen, in plaats van het hoogste, hemelse goed.
Tweede satire: over de jeugd die in luxe verzinkt en een waarschuwing om de sterfelijkheid te gedenken.
Derde satire: over de rijke vrek.
Gedicht in phalaecisch metrum over geld.
Apologie van Erasmus in dialoogvorm, een aanklacht tegen de barbaren die de klassieke welsprekendheid veroordelen en de erudiete poëzie belachelijk maken.
Willem van Gouda
Verschijning van de Hollandse Maagd die, reeds lang gekweld door de oorlog, armoede en partijtwisten, een klacht uitspreekt over de ellende die dit brengt voor haar burgers.
0v

.M. Reynerius Snoy Lectori Salutem.
Habes candide lector primam feturam Herasmi
Roterodami viri undecunque doctissimi: Quum
Steynico rure Canonicum regularem ageret has ingenij
sui primitias admodum adolescens (nondum annum agebat
vigesimum) felicissimo auspicatu delibavit atque prelu
sit: Eximiam animi indolem precoci suffragante ingenio
palestre Poetices desudatione et instruens et exprimens
Indidem Guielmus noster Goudanus ut alter Theseus
cum Herasmo suo in Steynico rure (ubi professione Ca
nonici erant regulares) annis ferme decem convixit haud
minore animorum observantia atque studiorum similitudine Profec
to felix Steynicum illud rus religione et doctrina conspi-
cuum quod hos educavit alumnos de litteraria republica optime
meritos quosque omnis est admiratura posteritas.
Utroque dicendi genere (quod inventu rarum) adeo absoluta
itemque elaborata suorum ingeniorum monumenta relique-
runt. ut suffragium Minerve emeritos omnibus in confesso
est: Uter palmariam operam navaverit hisce pauculis
poematum eorum lucubratiunculis candide lector (ut vo
les) pro arbitratu percense Nam tibi suffragium supposcens
pallium trahit nemo Sedulo si perlegeris haud facile
diiudicatu estimabis Hoc carthaceo munere te donamus
propediem plura accepturus si hec equi bonique consulueris
Sin minus susque deque habendo in spongia (ut aiunt) incumbent
Vale.
Reinier Snoy groet de lezer
Geachte lezer, voor u ligt het eerste product van Erasmus van Rotterdam, een veelzijdig en zeer getalenteerd man. Toen hij als reguliere kanunnik in het land van Stein verbleef, leverde hij nog vrij jong (hij was nog niet eens twintig) deze eerste bewijzen van zijn vernuft, als een bijzonder gunstig voorteken en proeve van wat er zou komen. Hij gaf daarmee gestalte en uitdrukking aan zijn bijzondere geestelijke capaciteiten, daarbij gesteund door zijn vroegrijpe verstand en zijn training in de sportschool van de dichtkunst.
In datzelfde klooster verbleef onze Willem van Gouda als een tweede Theseus[1], een ware boezemvriend, bijna tien jaar samen met zijn vriend Erasmus in het land van Stein (waar zij geprofeste reguliere kanunniken waren). Zij waardeerden elkaar en hadden ongeveer dezelfde belangstelling. We mogen het land van Stein waarlijk gelukkig prijzen als centrum van religie en wetenschap, want het leidde deze leerlingen op die hun sporen verdiend hebben op het gebied van de literatuur en het gehele nageslacht zal dat centrum bewonderen. Zij hebben zowel in proza als in poëzie, een combinatie die men zelden tegenkomt, zulke volmaakt uitgewerkte bewijzen van hun beider vernuft het licht laten zien, dat iedereen moet toegeven dat zij de erepalm van Minerva hebben verdiend. Wie van beiden de prijs heeft verdiend, kunt u, als u wilt, geachte lezer, als jury - niemand zal u aan uw jas trekken om stiekem uw stem te weten te komen - beoordelen aan de hand van deze eenvoudige in de nacht neergepende gedichtjes van de twee. Als u dit boekje zorgvuldig doorleest, komt u tot de conclusie dat het lang niet eenvoudig is om dat oordeel te vellen. Wij schenken u dit papieren geschenk; eerstdaags zult u meer ontvangen als u dit eerlijk en met waardering tot u hebt genomen. Zo niet, dan is het ook niet erg en halen we, zoals men zegt, de spons erover.
Gegroet.
[1] De vriendschap van Theseus en Pirithoos was een standaardvoorbeeld van hechte vriendschap in de oudheid.
1r

Herasmi Roterodami.
¶ Satyra prima in errores hominum degenerantium et pro
summo celestique bono varias falsorum bonorum species
amplectentium Incipit.
Heu quantum cece mortalia pectora noctis
Heu quam terrigenas noxius error habet
Vera quibus cum sint et celica danda: perhenni
Invigilant vacuis anxietate bonis
Nec summum novere bonum quo fluxit ab uno
Quicquid inest pulchri quicquid in orbe boni
Ecce sed hic stigijs admotas effodit umbris
Condit et effossas insaciatus opes
Mollibus hic studet illecebris indulget amori
Blandaque mortifere gauda[1] carnis amat
Ambitione tumens fasces petit ille superbos
Et querit summum summus habere gradum
Est quem sydereos iuvet apprendisse meatus
Et rerum causas edidicisse novas
Hic petit hoc / ille illud / agit sua quemque libido
Navigat et ventis in freta quisque suis
Quo raperis mortale genus vacuoque labore
Dona quibus pereas quid peritura legis?
Que (cedo) cum stolidis tibi sunt commertia terris
Cui celum patria est cui pater ipse deus?
Queris in exilio / patrio tibi condita celo
Non hic quas sequeris inveniuntur opes
Quid per squamigeros saxosa cacumina pisces
Sectare / et leporem per freta vasta vagum?
[1] [gauda] lees [gaudia]
Erasmus van Rotterdam
Hier begint de eerste satire: over de dwalingen van ontaarde mensen die verschillende soorten van zogenaamd goede zaken omarmen, in plaats van het hoogste, hemelse goed.
Ach hoezeer heeft de blinde nacht de harten van stervelingen in zijn greep.
Ach welke schadelijke dwaling bevangt de mensenkinderen.
Want terwijl er ware en hemelse geschenken op hen liggen te wachten,
liggen zij voortdurend wakker door verlangen naar goederen zonder enige waarde.
Zij kennen niet het hoogste goed, de enige bron
van wat er aan moois, wat er aan goeds is op deze wereld.
Want kijk, hier graaft er een schatten op die in de duisternis van de Styx[1] begraven zijn
en verbergt de opgegraven schatten weer, nooit heeft hij genoeg.
Een ander geeft zich over aan zachte verleiding, zwelgt in de liefde
en geeft zich over aan de zachte geneugten van het sterfelijke vlees.
Hij daar, bruisend van eerzucht ambieert de hoogste functies
en terwijl hij de top al heeft bereikt, blijft hij zoeken naar de hoogste trede.
Dan is er iemand die zijn zinnen gezet heeft op het verkennen van de banen van de sterren
en het leren van nieuwe verklaringen van de natuur.
De een zoekt dit, de ander dat; de eigen lust sleurt eenieder mee,
ieder stuurt voortgejaagd door zijn eigen storm een nauwe zeestraat in.
Stervelingen waarheen laten jullie je meeslepen en waarom kies je
met zinloze inspanning vergankelijke geschenken die je te gronde richten.
Vertel me, waarom laat je je in met domme aardse zaken, terwijl
de hemel jouw vaderland is en God zelf je vader.
In ballingschap zoek je wat in de hemel, jouw vaderland is verborgen.
De schatten die je zoekt zul je hier niet vinden.
Waarom zoek je geschubde vissen op hoge rotsen,
of een loslopende haas in de brede branding?
[1] De rivier van de onderwereld
1v

Queris et in sterili flaventia mala salicto
Queritur incultis fertilis uva rubis
Gaudia nequicquam reperire quid angeris illic
Nil nisi meror ubi est nil nisi planctus ubi est?
Et quid amas molles luctus in carcere luxus?
Nil nisi (crede michi) flebile mundus habet
Ast bona te quorum vexat male sana cupido
Ah tibi (si credis) nil bonitatis habent
Sed que te totum tegit ignorantia veri
Hec bona cum non sint / ut videantur agit
Quin mage verorum sunt hec symulachra bonorum
Et fallax oculos fascinat umbra tuos
Gaudia nonne vides stimulis viciantur amaris?
Vertitur in lachrimas risus et iste graves
Mixta labore quies nulla est sincera voluptas
Nec diuturna nichil anxietatis habens
Et quid opes / quid honor / quid purpura / quid dyadema?
Quid nisi sunt animi pondera pulchra tui?
Adde quod ista levi fortune agitata tumultu
Fallanx[1] / et dominis sint male fida suis
Hec bona carpis homo multo nocitura periclo
Nulla sed est summi sollicitudo boni
Nulla dei / sed cuique deus sua dira cupido
In mala quisque suus quo trahit error abit
lam tandem resipisce precor radysque receptis
Hanc noctem ex oculis discute queso tuis
Sursum duc oculos illic patriamque patremque
Suspice quo mentem quo tua vota feras
Illic cerne tui generosos sanguinis ortus
Illic cerne animi semina prima tui
[1] [Fallanx] lees [Fallant]
Zoek je blozende appels in wilgen die geen vruchten dragen.
Kan men in wilde braamstruiken een vruchtbare wijnrank vinden?
Waarom raak je gestrest door daar naar vreugde te zoeken
waar niets dan verdriet is, waar alleen geween is?
En waarom verlang je naar zachte weelde in een gevangenis van rouw?
Geloof me, alles wat de wereld biedt is jammerlijk.
En de goederen, waarnaar een ongezond verlangen jou doet hunkeren,
hebben, als je me wilt geloven, niets goeds te bieden.
Maar het gebrek aan kennis van de waarheid die jou geheel in zijn greep houdt,
maakt dat je denkt dat ze goed zijn terwijl ze dat beslist niet zijn.
Integendeel het zijn eerder spiegelingen van de echt goede dingen
en een bedrieglijke schim speelt een spel met jouw ogen.
Je ziet toch wel dat jouw vreugde wordt bedorven door bittere kwellingen,
jouw lach verkeert in tranen en wel bittere tranen.
Rust gaat gepaard met inspanning, geen genoegen is oprecht,
van langere duur of zonder zorgen.
Waarom rijkdom, eer, purperen gewaden, een kroon?
Waarom als het slechts een mooie last is van jouw ziel?
Daar komt bij dat die dingen door een lichte verstoring van het lot
bedrieglijk en onbetrouwbaar zijn voor hun meesters.
Mens, je grijpt deze goederen, die je veel gevaar gaan opleveren.
Men bekommert zich echter geenszins om het hoogste goed.
Men bekommert zich niet om God, ieder beschouwt zijn eigen gruwelijke begeerte als zijn god.
Ieder kiest de verkeerde richting, waarheen zijn eigen fout hem trekt.
Word nu eindelijk verstandig, bid ik je, en verjaag
met de ontvangen zonnestralen deze nacht uit jouw ogen, vraag ik je.
Richt je ogen omhoog, kijk omhoog naar je vaderland, je vader,
Richt je geest, je gebeden daarheen.
Zie daar de weldadige oorsprong van jouw bloed,
zie daar de eerste zaden van jouw ziel.
2r

Non es enim indigena stolide licet incola terre
Celica progenies ethereumque genus
Conditor ignifluo procedis cuius ab ore
(Quid maius) stutuam[1] te vocat ipse suam
Ergo homo terrenis quid inheres degener istis
Oblitusque dei nec memor ipse tui?
Terrea terrigenis age linque caduca caducis
Tu pete perpetuas non moriturus opes
Sydera scande levis et inertes despice sedes
lam pudeat collo sustinuisse iugum
Est illic quod ames est illic rite quod optes
Illic sunt votis omnia plena tuis
Gaudia vera illic et amari nescia luctus
Et placida est nullo mixta labore quies
Pax secura. procul strepitus bellique tumultus
Exundant que non attenuentur opes
Invidie securus honor / dyademata / septra
Ignibus astrigeri splendidiora poli
Denique cunctorum finisque et origo bonorum
Ut videas aderit ut potiare / deus
Quod si nulla movet tatarum[2] gloria rerum
Nec capiunt animum premia tanta tuum
Vindicis extimulent saltem tormenta gehenne
Quem non ducit amor vel trahat ipse timor
Suspicere ethereum si mole vetaris olimphum
Saltem tartaree despice regna stygis
Aspice quam maneant sceleratos horrida manes
Supplicia: eternus quos herebi ignis edit
Quos pendant brevibus pro luxibus aspice luctus
Quorum hic in vitijs mortua vita fuit
Je bent immers niet afkomstig van de plompe aarde, ook al woon je daar,
je bent van hemelse afkomst, jouw geslacht komt van boven.
Jouw schepper, uit wiens vurige mond jij afkomstig bent,
noemt jou zelf zijn beeld en gelijkenis, kan het groter?
Dus mens, waarom hang je ontaard aan die aardse zaken,
vergeet je God en denk je niet aan jezelf?
Vooruit, laat de aardse vergankelijke zaken aan de aardse vergankelijkheid,
en zoek eeuwige rijkdommen, jij gaat immers niet sterven.
Klim met lichte tred naar de sterren en kijk neer op je bekrompen verblijfplaats.
Schaam je dat je nek het juk heeft gedragen.
Daar vind je waar je van houdt, daar vind je wat je terecht kunt wensen.
Daar zijn al jouw wensen vervuld.
Daar is het ware genot, vrij van bittere smart,
vredige rust, vrij van iedere inspanning,
veilige vrede, ver weg het lawaai en tumult van de oorlog.
Daar is overvloedige en onvergankelijke rijkdom,
eer vrij van afgunst, kronen, scepters,
stralender dan de sterren aan het hemelgewelf.
Kortom God, het eind en het begin van alle goede dingen,
zal daar zijn, opdat je dat ziet, opdat je je dat toe-eigent.
Maar als alle pracht van zulke grote zaken je niet beroert,
als zulke grote beloningen jouw geest niet pakken,
laten dan tenminste de kwellingen van de wrekende hel jou prikkelen:
wie de liefde niet kan leiden, hem moet de angst maar meeslepen.
Als het jou te zwaar valt om omhoog te kijken naar de hemelse Olympus
kijk dan tenminste omlaag naar het rijk van de Tartaarse Styx
en aanschouw de vreselijke martelingen die misdadige schimmen te wachten staan:
het eeuwige vuur van de onderwereld verzwelgt hen.
Zie welke ellende hun straf is voor kortstondige genietingen,
mensen van wie het aardse bestaan door hun ondeugden al dood was.
2v

Vita manet / fugiat ne sensus ipse malorum
Sed mors morte carens tempus in omne premat
Aspice quam rapido volvantur tempora lapsu
Quam veniat celeri mors inopina pede
Dura heus conditio nimium miserandaque: pandat
Altera ut alterius mors tibi mortis iter
Nostra sed ut video surdis canit auribus ista
Musa: levis monitus dissipat aura meos
Quid causa stolidis mortalibus obstruit aures
Colligo: luminibus iam liquet illa meis
Quippe sibi duram promittunt fallere mortem
Sperant perpetuos vivere posse dies
Hic iuvenis valido fidit temerarius evo
Divitijs locuples nititur ille suis
Fallit purpureos invicta potencia reges
Acrius ergo michi quisque monendus erit
¶ Satyra secunda in Iuvenem luxuria defluentem atque
mortis admonitio.
Stulte quid imbarbi spem tu tibi fingis ab evo
Et gaudes tremulos iam procul esse dies
Longeve numerans restantia tempora vite
Et spondes capiti tempora cana tuo
Luxibus interea iuvat indulgere cupitis
Gaudia lascive carnis amica sequi
Dextra (inquis) dum fata sinunt dum floreat etas
Pascamus placidis mollia vota modis
Assint leticie choree convivia lusus
Plausus complexus basia grata Venus
Het leven blijft, zodat het voelen van de martelingen niet verdwijnt
en de dood zonder dood is een kwelling voor altijd.
Kijk met welke vaart de tijd verglijdt,
hoe met gezwinde pas een onverwachte dood nadert.
Echt harde omstandigheden en al te beklagenswaardig, hoe
de ene dood de weg baant naar een volgende dood voor jou.
Maar onze Muze zingt naar ik zie voor dovemans oren.
Een lichte bries doet mijn adviezen verwaaien.
Hoe komt het toch dat de oren van de stervelingen geblokkeerd zijn?
Ik zet het op een rij, het staat mij glashelder voor ogen.
Zij spiegelen zichzelf voor, dat zij de harde dood kunnen ontlopen.
Zij verwachten dat zij eeuwig kunnen blijven leven.
Hier vertrouwt een jongeman overmoedig op zijn jeugdige kracht,
daar voelt een rijkaard zich gesteund door zijn rijkdommen.
Vorsten gehuld in purper vergissen zich in hun onoverwinnelijke macht.
Ieder van hen moet ik dus nog ernstiger waarschuwen.
Tweede satire over de jongeman die wegzinkt in weelde en
een waarschuwing om de sterfelijkheid te gedenken
Dwaas waarom vestig je je hoop op je baardloze leeftijd
en verheug je je over het feit dat de dagen van trillende handen ver weg zijn.
Waarom reken je op de resterende dagen van een lang leven,
en beloof jij je hoofd dat je slapen eens grijs zullen zijn?
Terwijl je je met graagte overgeeft aan je weelderige verlangens
en het genot najaagt dat hoort bij het losbandige vlees.
Je zegt laten we, zolang het lot ons gunstig gezind is, in de bloei van de jeugd,
op een prettige manier genieten van de zoete verlangens.
Kom op met plezier, dansen, feesten, spelletjes,
applaus, knuffels, lieve kussen, Venus
3r

Gaudiaque et Veneris tenerique cupidinis ignes
Assint innumeris ludicra mixta iocis
Tibia nec desit / assint cithareque lijreque
Cura dolorque procul tristia cuncta procul
Ut curent superis permittite cetera divis
Et stimulet vacuos sollicitudo deos
Otia nos tenere peragamus blanda iuvente
Tradatur tumidis noxia cura fretis
Utamur (ne frustra abeat torpentibus) evo
Dum vernet primis leta iuventa genis
Dic quid arundinee infelix innitere canne
Qua scissa pereas qua recidente cadas?
Tune iuventuti fidis male sane fugaci
Qua nil mobilius maximus orbis habet?
Illa notho levior / celerique volucrior euro
Labilior liquidis quas habet hebrus aquis
Otior emissa nervo crepitante sagitta
Illa magis veris flore caduca novi
Vanior et nebula et tenui fallatior umbra
Et nive que in liquidas sole tepessit aquas
Queque secat medium pernicior alite celum
Flos velut illa viret ut levis aura perit
Illa perit tenuis rapitur ceu fumus in auras
Et standi nullam servat amata fidem
Si levis autor ego / natura disce magistra
En docet illa breves temporis esse vices
Aspice purpureis ut humus lasciviat omnis
Floribus / in campos ver ubi molle venit
Luxuriat vestita suis tum frondibus arbor
Et rediviva novis cingitur herba comis
en de genietingen van Venus en het vuur van de tengere Cupido,
kom op met dwaasheid overgoten met talloze grappen.
De fluit mag niet ontbreken, de gitaar en de lier horen erbij;
weg met zorg en verdriet, weg met alle droefheid.
Schuif de rest door naar de hemelse goden, laat dat maar aan hen over,
laat de goden zich maar zorgen maken, die hebben toch niets te doen.
Laat ons eindeloos genieten van het dolce far niente van de jeugd,
en kieper nare zorgen in de woeste golven van de zee.
Laten we profiteren van onze leeftijd, laat hem niet voorbijgaan in ledigheid,
terwijl een heerlijke jeugd onze zachte wangen kleurt.
Vertel me ongelukkige waarom jij leunt op een rietstengel,
als hij breekt, ben jij er geweest, als hij wegglijdt, val jij.
Vertrouw je op de vliedende jeugd, heel onverstandig,
niets op heel deze wijde wereld is veranderlijker.
De jeugd is lichtvoetiger dan de zuidenwind, vlugger dan de oostenwind,
ongrijpbaarder dan de waterstromen van de Hebrus[1],
sneller dan de pijl die de snorrende boog afschiet,
vergankelijker dan een vroege lentebloem,
vager dan een nevel en bedrieglijker dan een schaduw,
of sneeuw die de zon tot druppelend water laat smelten.
Zij is vlugger dan een vogel die de lucht doorsnijdt,
zij bloeit als een bloem en gaat voorbij als een briesje.
Zij gaat voorbij en wordt als ijle rook opgenomen in een luchtstroom
en al wordt ze bemind, je kunt er niet van op aan dat zij zal blijven.
Als je mijn woorden niet serieus neemt, neem dan de natuur als leermeester.
Kijk hoe zij leert dat de seizoenen kort zijn
en zie hoe de hele bodem dartel kleurt met purperen bloemen
wanneer de zoete lente over de velden komt.
De boom staat er luisterrijk bij, gekleed in zijn bladeren,
en de groene struiken hebben weer een nieuw kapsel.
[1] Hebrus, rivier in Thracië (Maritsa in Noord-Griekenland)
3v

Mollia sanguinei pingunt violaria partus
Induitur placidis aspera spina rosis
Multicolore nitent densissima gramina flore
Denique resplendent cuncta decore novo
At mora parva / cadunt redolentia tempora veris
Et properat nimbis horrida bruma suis
lam neque prata virent meret sine frondibus arbos
Et ponit virides languida silva comas
lam non purpurei pingunt violaria flores
lam riget elapsis aspera spina rosis
Turpes dissimilesque sui sine gramine campi
Atque omnis subito flosque venusque cadit
Sic sic flos evi sic sic male blanda iuventa
Labitur heu celeri non reditura pede
Tristior inde ruit ac plena doloribus etas
Inde subit tremulo curva senecta gradu
Et gravibus curis et tristibus aspera morbis
Luctibus et centum conglomerata malis
Hec tibi temporibus canos sparsura capillos
Hec tibi pendentem contrahet hijrta cutem
Corpora tum subito linquet moribunda voluptas
Omnis et ingenij visque calorque cadit
Forma perit / pereunt agiles in corpore vires
Et rosa purpureis excidit ista genis
Finditur annosis subito frons aspera rugis
Decrescunt oculis lumina fusca cavis
Pro mento fit leve caput / fis simia tandem
Ignotusque tibi dissimilisque tui
I modo confide infelix iuvenilibus annis
Et sponde votis gaudia longa tuis
Bloedrode knoppen kleuren de zachte violenbedden,
de scherpe doornen worden bedekt met zachte rozen,
dichtbegroeid pralen de weiden met veelkleurige bloemen.
Kortom alles straalt met nieuwe bekoorlijkheid.
Maar dat duurt maar kort, de geurige lenteweken verdwijnen,
snel nadert de grimmige winter met zijn stortbuien.
De weiden zijn allang niet meer groen, zonder blad treuren de bomen,
het kwijnende bos heeft zijn groene pruik afgelegd.
Niet langer kleuren paarse bloemen de violenborders,
de scherpe doorn steekt weer uit nu de rozen zijn uitgevallen.
Saai, heel anders dan eerst, liggen de velden zonder groen,
en plotseling verdwijnen bloemen en bekoorlijkheid.
Precies zo vergaat het de bloei van het leven, precies zo
verdwijnt de bedrieglijk verleidelijke jeugd, helaas met rappe tred
om nooit terug te keren. Snel daarna komt een minder vrolijke leeftijd
vol pijntjes, daarna de gebogen ouderdom met bevende pas,
met ernstige zorgen en zwaar door nare ziektes,
met verdriet, honderden kwalen op een hoop.
Deze tijd bestrooit jouw slapen met grijze haren,
hij trekt jouw hangende huid in rimpels.
En dan verdwijnt plotseling de afnemende lust uit de lijven
en alle kracht en gloed van de geest vallen weg.
Schoonheid vergaat, de soepele kracht verlaat het lichaam
de blos trekt weg uit de rode wangen.
Ineens is je voorhoofd gegroefd, getekend door leeftijdsrimpels
en in holle ogen wordt het licht langzaam dof.
In plaats van een gladde kin heb je nu een gladde schedel. Je wordt ten slotte een aap,
je herkent jezelf niet meer en lijkt niet meer op je vroegere ik.
Ga jij maar door ongelukkige, vertrouw op de jaren van je jeugd.
Beloof jezelf nog jaren vol vreugde,
4r

Si tamen et salvam tribuent egisse iuventam
Maturosque sinent fata videre dies
Sed gaudet tenere fera mors primordia vite
Sepius atque ortus presecuisse rudes
Lurida tartareis circumvolat omnia pennis
Quam circum tenebris nox spatiosa cavis
Mille neces circum / et morbi genus omne tremendi
Mille humeris succo spicula tincta nigro
Dentibus infrendet horrendum semper aenis
Insanam cupiens exsaturare famem
Hec te letiferis sequitur metuenda sagittis
Hec sequitur laqueis insidiosa suis
Parcere nec forme nec parcere gnara iuvente
Sed vorat imbarbes insaciata genas
Quid dubitas male sana[1] meis confidere verbis?
Sis vel luminibus credulus ipse tuis
Nonne vides passim ut pereant iuvenesque senesque?
Fervidus effeto cum genitore puer?
Hic perit ante diem clauso pregnantis in alvo
Sarcophagum misere viscera matris habens
Ille cadit dulci genitricis ab ubere raptus
Hic infans moritur / tollitur ille puer
Multos iam calidos medijs a luxibus ecce
Abrumpit iaculis mors truculenta suis
Tum dic vane iocis adolescens dedite vanis
Gaudia carnis ubi pristina / luxus ubi?
Spes ubi queso modo longeve prisca senecte
Temporaque in seros iam numerata dies?
Omnia nonne brevis subito necis abstulit hora?
Non sequitur dominum gloria vana suum
[1] [male sana] lees [male sane], drukfout, waarschijnlijk ingegeven door de uitdrukking mens sana (in corpore sano)
als het lot je althans vergunt je jeugd behouden door te komen
en je toestaat volwassen dagen te bereiken.
Maar de grimmige dood mag graag de start van een jong leven
en regelmatig de onvolgroeide loot afsnijden.
Lijkbleek cirkelt hij om alles heen op zijn hellevleugels,
om hem heen een eindeloze nacht met holle schaduwen.
Duizend doden om hem heen en elk soort vreselijke ziekte,
op zijn schouders duizend pijlen gedoopt in zwart gif.
Afgrijselijk knarst hij voortdurend zijn bronzen tanden
steeds wil hij zijn razende honger stillen.
Griezelig volgt hij je met doodbrengende pijlen,
verraderlijk zit hij je na met zijn strikken.
Van het sparen van schoonheid of het sparen van jeugd
wil hij niets weten, maar niet te verzadigen verslindt hij baardeloze wangen.
Dus dwaas, wat aarzel je mijn woorden te geloven?
Misschien heb je dan enig vertrouwen in je eigen ogen.
Je ziet toch wel hoe overal jongeren en ouderen sterven:
Een sprankelende jongen met zijn afgeleefde verwekker.
De een sterft in de moederschoot voor hij het levenslicht ziet,
de buik van zijn arme zwangere moeder is zijn doodskist.
De ander sterft weggerukt van de zachte borst van zijn moeder,
de een sterft als baby, de ander als knaap.
Kijk hoe de grimmige dood met zijn pijlen
feestvierende lieden wegrukt, terwijl zij volop genieten.
En zeg dan maar eens, leeghoofdige jongeman, verslingerd aan ijdel vermaak,
waar blijft dan het seksuele genot van toen, waar blijft de luxe?
Waar is nu de eerdere verwachting van een lange ouderdom
jaar na jaar opgeteld tot in de late levensavond?
Het korte moment van de dood heeft alles toch plotseling weggenomen?
IJdele roem volgt zijn meester niet in het graf.
4v

Cuncta levis nebule vanique simillima somni
Effugiunt: ut iam nulla fuisse putes
Et tu perpetuis luiturus crimina flammis:
Mitteris in stygios flebilis umbra lacus
Clauditur hoc mundi levis oblectacio fine
Et sequitur risum eterna querela brevem
Ergo age dum liceat tibi consule / nautica sera est
Fluctibus elisa sollicitudo rate
Sed prius ac veniat venturam prospice mortem
Sic facis ut veniat non metuenda tibi
Satyra tercia in divitem avarum
Tu quoque nescio qua rerum spe lusus inani
Cogis avare tuas insaciatus opes
Ausus et ipse vitam tibi spondere beatam
Tantum si votis archa sit equa tuis
Hinc domus hinc teneri cara cum coniuge nati
Linquuntur / patrium linquitur ergo solum
Queritur eoo quecunque est proxima soli
Quecunque occiduo terra sub axe latet
Temnuntur scopuli et ratibus metuende carybdis
Temnitur ymbriferis acta procella nothis
Mille per undarum / per mille pericula terre
Per phas perque nephas per necis omne genus
Queritur innumeris nocitura pecunia curis
Queque queat dominum perdere parta suum
Stulte quid attonita refugis nova nomina fronte?
Lumina cur tollis cum nocitura legis?
Hac nichil est (neque enim mirere) nocentius inquam
Sevius haud ullum stix dedit atra malum
Alles vervliegt gelijk een dunne nevel, gelijk een vage droom
en je verbeeldt je dat het er nooit is geweest.
Jij wordt als een zielige schim naar de wateren van de Styx gezonden
om in de eeuwige vlammen te boeten voor je zonden.
Het lichtzinnige wereldse genot wordt zo afgesloten
en op een korte lach volgt een eeuwige klacht.
Dus vooruit, zolang het nog kan, zorg voor jezelf: voor een zeeman
komt zorg te laat als zijn schip door de golven kapotslaat.
Houd voordat hij komt het oog op de onvermijdelijke dood.
Zo kun je hem zonder vrees tegemoet treden als hij komt.
Derde satire Tegen een rijke vrek
Ook jij, vrek, misleid door ik weet niet welke ijdele hoop op materieel bezit,
verzamel jij, nooit tevreden, je rijkdommen.
Durf jij jezelf een gelukkig leven te beloven,
wanneer je schatkist maar net zo vol is als jij wenst.
Met dat idee verlaat jij dus je huis, je dierbare vrouw
je kleine kinderen en zelfs je vaderland.
Je gaat op zoek naar het land dat vlak bij de ochtendzon ligt,
of de streek die schuilgaat onder de westelijke hemelas.
Je bekommert je niet om de klippen, om Charybdis[1], levensgevaarlijk voor schepen,
ook de storm aangewakkerd door de buienrijke zuidenwind deert jou niet.
Dwars door duizend gevaren op de golven, door duizend gevaren te land,
door recht en door onrecht, door ieder soort doodsgevaar
ga je met ontelbare angsten op zoek naar schadelijk geld,
dat eenmaal verworven zijn meester kan verderven.
Dwaas wat deins je nu terug? Waarom frons je, waarom rol je met je ogen,
wanneer je die ongewone aanduiding ‘schadelijk’ leest?
Niets is schadelijker dan geld, zei ik, verbaas je maar niet.
De duistere Styx heeft echt geen kwalijker ramp voortgebracht.
[1] Monster dat Odysseus bedreigde op zijn reis van Troje naar Ithaka
5r

Ipsa est cunctorum genitrix et alumna malorum
Fomentum vitij / seva noverca boni
Illa peregrinos prima intulit horrida mores
Primaque vipereum sparsit in orbe malum
Hec docuit tacitis aliena capessere furtis
Cognataque feras tingere cede manus
Suasit adulterium / periuria / bella / rapinas
Lenonem illa facit / prostibulum illa facit
Sic facit illa suo malefidus amicus amico
Rectaque ne iudex censeat illa facit
Illa docet sevas miscere aconita novercas
Illa beat reprobos / deprimit illa pios
Scisma aurum parit / ambitio quoque nascitur auro
lurgia / proditio / livor / et ira nocens
Illius humanos cecat caligine sensus
Allucinatque oculos insaciata fames
Hac Achar[1] populo dominum succendit hebreo
Hac Giesi lepra ceu nive tectus abit
Ipsa philisteo Sampsonem prodidit hosti
Coniuge delusos ingeminante dolos
Hac quoque tu innocui sevissime venditor agni
Complexo medius guttura fune crepas
Et quid cuncta feram? hec est tocius una vorago
Criminis. inferni ianua / mortis iter
Id quoque natura didicisse docente licebit
Que tanto nocuas obice clausit opes
Surgere flava Ceres precepta patentibus arvis
Letaque pampineo palmite vina fluunt
Et mala in patulis flavescunt mollia ramis
Dives mille palam munera fundit humus
[1] [Achar] lees [Achan]
Juist geld is de moeder en voedster van alle rampen,
de voedingsbodem voor ondeugden, de boze stiefmoeder van het goede.
Het gruwelijke geld heeft als eerste vreemde zeden binnengebracht,
als eerste heeft het het giftige kwaad over de wereld gesproeid.
Geld leert de mens andermans goed heimelijk te stelen,
en onbarmhartige handen te dopen in het bloed van verwanten.
Het zet aan tot overspel, meineed, oorlog, roof,
maakt van een man een pooier, van een vrouw een lichtekooi.
Geld zorgt dat een vriend zijn vriend verraadt,
dat een rechter niet meer het juiste vonnis velt.
Geld leert boze stiefmoeders gif te mengen,
geld maakt boeven blij, drukt eerzame burgers terneer.
Goud baart tweedracht, ook ambitie komt voort uit goud,
ruzies, verraad, afgunst en destructieve woede,
de nevel ervan verblindt de menselijke waarneming
en de niet te verzadigen honger vertroebelt de ogen.
Door geldzucht zette Achan de Heer op tegen het Joodse volk[1],
door hebzucht vertrok Gehazi bedekt met lepra wit als sneeuw[2].
Hebzucht verraadde Samson aan de Filistijnse vijand,
toen zijn vrouw haar verijdelde listen verdubbelde.
Ook jij, Judas, aller gruwelijkste verkoper van het onschuldige Lam,
barstte hierdoor open, hangend aan een touw om je nek.[3]
Waarom zou ik alles vertellen? Dit is een maalstroom
van louter misdaad, de deur van de hel, de weg naar de dood.
Dit kan men ook te weten komen van de natuur die het ons leert.
Niet voor niets heeft zij de schadelijke rijkdom omgeven
met zoveel hindernissen. Het goudgele graan kreeg de opdracht
om te groeien op toegankelijke akkers, overvloedig vloeit de wijn
uit de takken van de wijnstok en zachte appels krijgen kleur
aan uitwaaierende takken, de rijke grond schenkt open en bloot, duizend geschenken.
[1] Kronieken Jozua 7: Achan neemt van het goud en zilver van Jericho en roept daarmee de toorn op van de Heer die dat verboden had.
[2] 2 Koningen 5, 20-27 Gehazi was de knecht van Elias. Elias had Naäman genezen van lepra en daar niets voor willen aannemen. Gehazi ging Naäman achterna en vroeg alsnog o.a. twee talenten zilver. Toen hij bij Elias terugkwam bezorgde deze hem de lepra van Naäman.
[3] Volgens Mattheus heeft Judas zich verhangen en volgens Handelingen 1, 18 is hij opengebarsten, waarbij zijn ingewanden naar buiten kwamen.
5v

Ast natura olim cunctarum prescia rerum
Noxia terrigenis dona latere iubet
Terre visceribus nocitura recondidit auri
Pondera: et obscenas in styga mersit opes
Gemmea marmoreo latitare sub equore saxa
lussit: et obscurum gurgite clausit iter
Nec latuisse licet quantumlibet abdita: avari
Effodit e latebris improba cura suis
Quo non dira fames? stygias penetratur ad umbras
Inque procellosi pergitur yma freti
Promuntur tecti preciosa pericula census
Pernicies hominum materiesque mali
Mentior at forsan / sed tu que commoda lucris
Experiare miser profer (amabo) tuis
Nulla reor nisi forte tuas tu commoda curas
Dixeris / et quid enim quid (nisi cura) tuum est?
Arca beata quidem / miserum te copia rerum
Strangulat: innumeris accumulata malis
Sollicito quesita metu querenda fatigat
Curis te miserum spesque metusque premunt
Lux est / assiduo mens anxia fluctuat estu
Nox venit / ipsa quoque est irrequieta quies
Nec tam crediderim Ticij derodere fibras
Ultura[1]: quam pectus improba vota tuum
Ut iam haud immerito dives vocere miserque
Ille velut quondam perditus ere Mydas
Omnia cui quamvis fulvum vertantur in aurum
Vota tamen votis damnat avara novis
Moxque perosus opes silvas et rura colebat
Grande docens opibus grandibus esse malum
[1] [Ultura] lees [Vultura]
Maar de natuur, met vooruitziende blik,
beval de schadelijke schatten voor de aardbewoners te verbergen.
Zij verborg in de ingewanden van de aarde de verderfelijke
voorraad goud en de kwade schatten dompelde zij onder in de Styx.
Zij beval edelstenen zich schuil te houden onder de gladde
oppervlakte van de zee en sloot de verborgen toegang af met een draaikolk.
Maar hoe verborgen het ook was, het mocht niet verscholen blijven:
de verkeerde begeerte van de vrek graaft het op uit zijn schuilplaatsen.
Hoever gaat misdadige honger niet? Hij dringt door in de schaduwen van de
onderwereld en reikt tot in de diepten van de woelige zee.
De gevaarlijke kostbaarheden van het verborgen vermogen
haalt hij tevoorschijn, het verderf van mensen, de bron van het kwaad.
Misschien vergis ik me. Maar vertel me dan eens, ongelukkige,
(ik hoor het graag), welke voordelen jij geniet van jouw winst.
Geen enkele, denk ik, tenzij je misschien jouw zorgen als voordeel
beschouwt. En wat heb je dan wel, wat levert het je op behalve zorg?
Jouw schatkist is gelukkig; maar al die rijkdom houdt jou, stakker, in een
wurggreep, vergaard als hij is met ontelbare rampen.
Wat je zoekt, brengt je onrust en vrees, het zoeken mat je af
met zorgen, hoop en vrees houden jou, zielige man, in hun ban.
Het is dag en jouw geest dobbert in een voortdurende branding,
dan komt de nacht en zelfs de rust is vol onrust.
Ik geloof werkelijk niet dat de gier de ingewanden van Tityus[1]
net zo wegvrat als jouw buitensporige verlangens jouw hart,
zodat we je nu met recht rijk en deerniswekkend noemen,
net zoals ooit de bekende Midas aan het goud te gronde ging.
Hoewel alles wat hij aanraakte veranderde in geel goud,
vervloekte hij zijn gierige wens met een nieuwe wens
en haatte weldra zijn rijkdom en liep rond in bossen en velden
en leert ons dat grote rijkdom een groot kwaad is.
[1] Wilde zich aan Latona vergrijpen en werd daarvoor in de Tartarus gestraft. Uitgestrekt vastgebonden in de onderwereld eten gieren steeds zijn lever op die daarna weer aangroeit.
6r

Adde quod ingenti congesta pecunia cura
Nec sopire famem nec relevare potest
Auri dira sitis crescit crescentibus archis
Et cum iam tulerit plurima / plura cupit
Utque solum omne salum in sinuosam congerit alvu[1]
Undique collectis non saciatur aquis
Nutrit et ut pinguis rapidas alimonia flammas
Noxia sic avido crescit edendo fames
Quid iuvat immenso disrumpere scrinia censu
Cum satis esse quidem nesciat ipse sibi?
Omnis eget cupidus nec habet quod habet. sed et ipsas
Inter opes medias degit avarus inops
Esurit / et plenis patitur ieiunia mensis
Irritant rabidam fercula visa famem
Non secus ac refugis cruciatur tantalus undis
Et sitit in medijs guttura siccus aquis
Illeve ieiuno qui devorat omnia ventre
Et proprios artus insaciatus edit
Ergo quid argentum quid inutile congeris aurum
Perdite. quod dominum non beat immo gravat?
Loraque quod captis innectens vincula collis
Te servum statuat qui modo liber eras
Servus enim est ille rerum michi crede suarum
Obsceno quicquid victus amore iacet
Custos non dominus nec habet sed habetur ab illis
Nilque in eis dives iuris avarus habet
Mox etenim volucrem fortuna revolverit orbem
Que tua sunt hodie / cras subito huius erunt
Teque Irum ex ipso faciet lux unica Creso
Plenus eras opibus / iam moriere fame
[1] [alvu] lees [alvum]
Voeg daarbij dat geld vergaard met grote zorg
de geldhonger niet kan stillen of wegnemen.
Naarmate de schatkist zich vult, neemt de hevige gouddorst toe
en al heeft hij al zeer veel binnengehaald, hij wil meer.
Zoals de aarde al het zoute water in haar bochtige buik heeft verzameld,
stroomt van alle kanten het water toe en is zij nooit verzadigd,
en zoals vettige brandstof snelle vlammen voedt,
zo groeit door gulzig schransen de kwalijke honger.
Wat baat het met enorme bedragen de kisten te doen barsten,
wanneer iemand zelf niet weet wat genoeg voor hem is?
Al wie begerig is heeft gebrek en heeft niet wat hij heeft.
En midden tussen zijn schatten leeft de vrek in armoede.
Hij lijdt honger en aan rijk gevulde tafels zit hij te vasten,
de aanblik van heerlijke schotels prikkelt zijn razende honger.
Net zoals Tantalus gekweld werd door het wegzakkende water
en hij dorstig met droge keel midden in de plas staat.
Of zoals hij die met lege maag alles verslindt
en onverzadigbaar zijn eigen lijf opeet.[1]
Waarom dus verloren ziel, verzamel jij zilver, waarom nutteloos goud,
dat zijn heer geen vreugde schenkt, maar een last,
dat je bij de nek grijpt en er een riem om slaat
en een slaaf maakt van jou die eerder nog vrij was.
Ja een slaaf, geloof me, hij is een slaaf van zijn eigen bezittingen,
al wie geveld is door een obscene liefde.
Een bewaker, geen bezitter, hij bezit ze niet, ze bezitten hem.
Geen enkele zeggenschap over hen heeft de rijke vrek,
want weldra heeft Fortuna het snelle rad gedraaid;
wat vandaag nog van jou is, is morgen van hem
en één enkele dag maakt jou van rijk als Croesus[2] tot arm als Irus[3].
Je bulkte van het geld en nu sterf je van de honger.
[1] Erysichton, hakte een boom om in het woud dat aan Ceres gewijd was en werd daarvoor bestraft met een onverzadigbare honger
[2] Koning van Lydië
[3] Irus: bedelaar in het huis van Odysseus op Ithaka
6v

Finge sed immensas votisque capacibus equas
Et semper stabili finge manere gradu
Quid tum cum veniet mors meta novissima rerum?
Defunctum faciles iamne sequentur opes?
Quid tum contulerit largarum copia rerum?
Tartara tu nudus nec rediturus adis
Sudoresque tuos peregrinus devorat heres
Te velo in tumulum vix comitante brevi
An te forte putas non exorabile fatum
Mortis et extremum fallere posse diem?
Posse puta: sperare licet si tempora quenquam
Invenias opibus perpetuasse suis
Et si quid Crasso si quid sua copia Creso
Profuit: et cineres ille vel ille fugit
Si mors felici Salomoni seva pepercit
Si non et phrigium Laomedonta tulit
Finiunt Satyre.
Maar stel je voor dat je rijkdom onmetelijk is en overeenkomt
met wat jij je maar kan wensen en stel je voor dat die altijd
gelijke tred met je houdt. En dan, als de dood zich meldt,
de laatste fase van alles: zullen die schatten de dode dan
gemakkelijk volgen? Wat heb je dan aan overvloedige rijkdom?
Naakt ga je de Tartarus in om nooit meer terug te keren
en een verre erfgenaam profiteert van jouw zweet,
een krappe lijkwade is al wat je meekrijgt in het graf.
Of denk je soms dat je het onverbiddelijke lot
en de uiterste dag van de dood kunt ontlopen?
Denk maar dat het kan, je mag erop hopen, als je iemand
kunt vinden die zijn leven met zijn rijkdom heeft verlengd,
en als Crassus[1] of Croesus enig voordeel had van zijn rijkdom,
als de een of de ander de terugkeer tot as kon ontlopen,
als de wrede dood de gelukkige Salomon heeft gespaard
of de Frygiër Laomedon[2] niet heeft meegenomen.
Hier eindigen de satiren.
[1] Marcus Licinius Crassus, zat in het eerste driemanschap met Pompeius en Caesar. Werd gevangengenomen door de Parthen. Om hem te straffen voor zijn gouddorst goten zij vloeibaar goud in zijn mond.
[2] Koning van Troje en vader van Priamus
7r

¶ Apologia Herasmi et Cornelij sub dyalogo la-
mentabili Assumpta adversus barbaros qui veterum eloquen
tiam contemnunt et doctam poesim derident. Tres primi versus
Asclepiadei sunt Quartus est Gliconius.
¶ Herasmus.
Ad te sola michi quem dedit agnitum
Nuper fama tui splendida nominis
Scribo docte / tuas me sine paululum
Aures questibus impleam
¶ Assuetos numeris frater ab ordine
Scribendis calamos cunctaque carmina
Cogit livor edax ponere prohdolor
Iam pridem posui quidem
¶ Ex hoc sacra Iovi non tero limina
Non secreta diu visa michi domus
Doctum qua viridis laurus ornet caput
Reieci procul omnia
¶ Demum nulla michi pieridum sacros
Collustrare choros non bifidi iuga
Montis cura fuit visere / denique
Non amnes helijconios
¶ Dixi musa vale non sine lachrimis
Et tu Phebe pater perpetuum vale
Olim nostra quies noster eras amor
Te nunc desero non volens
¶ Cogit livor edax diva poemata
Quod norunt minime collacerantium
Cogit sed pudor est) archadie cohors
Iam stellis numerosior
Verdedigingsrede van Erasmus en Cornelius in de vorm van een tweegesprek vol klachten gevoerd tegen de barbaren die de welsprekendheid van de klassieke auteurs minachten en lachen om de geleerde dichtkunst. Het gaat steeds om een afwisseling van drie verzen in asclepiadisch metrum en een vierde in glyconisch metrum.
Erasmus
Aan u, geleerde heer, die ik nog maar pas en alleen
door uw schitterende reputatie heb leren kennen,
schrijf ik, vergun mij dat ik korte tijd
uw oren vul met mijn klachten.
Broeder, de verlammende kritiek dwingt mij mijn pennen,
die gewend zijn achter elkaar in versmaten te schrijven,
en al mijn gedichten neer te leggen, helaas.
En ik heb ze zelfs al een poos neergelegd.
Sindsdien betreed ik niet langer het heilige domein van Jupiter.
Allang heb ik het verborgen huis niet meer gezien
waar de groene laurier graag het geleerde hoofd kroont.
Alles heb ik ver van mij geworpen.
Uiteindelijk had ik geen enkele behoefte de heilige reien
van de Muzen te bekijken of de dubbele top van de berg [1]
te bezoeken en uiteindelijk ook
niet de bronnen van de Helicon[2].
Niet zonder tranen zei ik: ‘Muze vaarwel
en u, vader Phoebus, vaarwel voor altijd.
Eens was u ons rustpunt, onze liefde,
nu verlaat ik u tegen mijn zin.’
Verlammende kritiek dwingt mij ertoe, kritiek van lieden
die de goddelijke gedichten stuk scheuren, omdat zij er totaal niets van weten.
Ik word gedwongen door een schare, al talrijker dan de sterren.
Ook al is dat een schande voor Arcadië.[3]
[1] De Parnassus in Delphi, een van de plaatsen waar de Muzen zich ophielden heeft twee toppen.
[2] De Helicon, een berg in Boeotië, gewijd aan Apollo en de Muzen
[3] Arcadië, landschap in Griekenland waar de romantische herdersdichten zich afspeelden. Overigens zorgt het enkele haakje in de tekst voor verwarring.
7v

¶ Hec semper stimulis acta ferocibus
Priscis chara (nephas) carmina seculis
Facundamque stilo calliopem tumens
indignis pedibus terit
¶ Doctos illa viros invidie nigris
Incandens facibus dente venefico
Nunquam (crede michi) rodere desinit
Nunquam carpere desinit
¶ Cornelius.
¶ Hec mecum tacitus sepe revolveram
Communi cupiens mesticia virum
Dive qui cythare carperet invidos
Te letor comitem michi
¶ Obstringit (fateor) me vehemens dolor
Plenos barbarie et pectinis emulos
Mecum queso Iovis plangite filie
Nam fletum locus exigit
¶ Sacris turba modis inscia detrahit
Contemnens placidos Castalidum sonos
O sensu vacuum vel cerebrum caput
Musa (dum reprobas) eges
¶ En confert furijs. mitigat asperam
Cordis seviciam. demona comprimit
Tu qum sis similis carmina dilige
Placantem repetens lyram
¶ Sed iam tanta tui pectoris abdita
Invasit rabies omne premens iecur
Ut nec peonia disperiat manu
Nec speranda tibi salus
Deze schare, steeds door woeste prikkels voortgedreven
vertrapt briesend met onwaardige voeten de gedichten -
wat een schande - gedichten die dierbaar waren aan de vroegere generaties,
en vertrapt Kalliope[1], welbespraakt met haar pen.
En terwijl de meute met rokende fakkels van afgunst
geleerde lieden zwart maakt,
houdt zij niet op met giftige tand te knagen, geloof me,
nooit houdt zij op er stukken van af te bijten.
Cornelius
Dit alles had ik al dikwijls in stilte overdacht,
verlangend naar een man die dezelfde droefheid deelt,
die hen die jaloers zijn op de goddelijke citer te grazen kan nemen,
ik ben blij met jou als metgezel.
Ik geef het toe, een groot verdriet bekruipt mij. Ik heb mannen vol barbaarsheid om mij heen
die jaloers zijn op de pen waarmee men de citer speelt,
Ik vraag u, ween met mij dochters van Jupiter,
want de toestand vraagt om tranen.
Een onwetende schare sleurt ons weg van de gewijde metra
en heeft minachting voor het lieflijke geluid van de Castalische Muzen[2].
Ach jij, kerel zonder gevoel of hersenen,
terwijl je haar afwijst, heb je de Muze juist nodig.
Kijk zij is een middel tegen hevige emoties, zij verzacht
de scherpe drift van het hart, het beteugelt de duivel in jou.
Omdat jij er ook zo over denkt,
pak de kalmerende lier weer op en wijd je aan de dichtkunst.
Maar de woede is al zo diep in je borst doorgedrongen
dat hij je lever beknelt en die knellende band niet meer verdwijnt
door de genezende hand van Paeonische Apollo[3].
Je bent niet meer te redden.
[1] Kalliope, de Muze van de dichtkunst
[2] De Castalische bron, een bron vlakbij Delphi op de Parnassus
[3] Paeonië, een landschap in Macedonië
8r

¶ Eheu quam miser es qui tibi congrua
Contemnens reducis dona malagmatis
Corrodis medicum. num medicabere?
Non vivus capies necem
¶ Cur torquere (cedo) dum canimus miser?
En scribens galatis Paulus apostolus
Infert Meonij diva poemata
Fedantem reprobans gulam
¶ Quin et moricanis sepius in libris
Aptant laurigeros ecclesie modos
Doctores nitidi scematibus stili
Lucas Iheronimus Leo
¶ Herasmus.
¶ Et quid? nonne tibi iusta videbitur
Urgens causa stilum? nonne per omnia
Dixi vera comes? vera per omnia
Dixi: te quoque iudice
¶ Nusquam grandisonam Virgilij tubam
Nusquam blandisonam Meonij lijram
Nusquam (crede michi) compta Papinij
Audis carmina concini
¶ Docto Flaccus ubi queso poemate?
Seu Lucanus ubi qui generi necem
Scribens pindarico concrepat organo
Sordent heu sine nomine
¶ Phebee regio lucis in ambitu
Olim non viguit nec fuit insula
Per quas non ierat conscia carminum
Pulchro Calliope pede
Ach wat ben je een stakker, jij die vol verachting
de voor jou heilzame werking van het geneesmiddel afwijst
je zet je tanden in de dokter. Denk je dat je zo zal genezen.
Je leeft niet, maar je gaat jezelf te gronde richten.
Vertel op, waarom ongelukkige, voelt het als foltering,
terwijl we zingen? Kijk de apostel Paulus bijvoorbeeld,
Wanneer hij schrijft aan de Galaten[1]. Om verkeerde gulzigheid aan de kaak te stellen,
voegt hij dichterlijke taal van Homerus[2] in zijn betoog.
Ja, zelfs de leraren van de kerk, Lucas, Hieronymus en Leo,
voegen in hun boeken over morele onderwerpen,
gelauwerde stijlfiguren toe aan hun betogen
geschreven in prachtige stijl.
Erasmus
Maar geef eens antwoord op deze vraag! Denk je niet
dat het een terechte reden is die mijn pen in beweging brengt.
Heb ik niet in alle opzichten gelijk, vriend?
Ik heb in alle opzichten gelijk, daar ben jij het ook mee eens.
Nergens hoor je het verheven geluid van Vergilius’ trompet,
nergens de zoetklinkende lier van Homerus,
nergens hoor je toch iemand
de sierlijke verzen van Papinius[3] aanheffen.
Waar is Horatius (Flaccus) met zijn geleerde poëzie?
Of Lucanus, waar is hij, die schrijvend
over de dood van de schoonzoon[4]
de registers van Pindarus opentrok.
Helaas, roemloos worden zij te min bevonden.
Ooit was er geen gebied onder de baan van Phoebus, de zonnegod,
er was geen eiland dat Kalliope, haar hoofd vol gedichten,
niet met haar mooie voet niet had betreden.
[1] Paulus, Brief aan de Galaten, 5
[2] Letterlijk de Maeoniër, Maeonië = Lydië, de regio waar Smyrna ligt, geboorteplaats van Homerus.
[3] P. Papinius Statius, de dichter Statius, 45-96 AD
[4] Lucanus schreef de Pharsalia en beschreef daarin de dood van Pompeius, de schoonzoon van Caesar.
8v

¶ Indus labra tumens et cute decolor
Qui Phebum liquidis aurea fluctibus
Primus progreditur cornua cernere
Tollentem coluit modos
¶ Novit Thespiadum carmina Gadium
Tellus occiduis proxima solibus
Et postrema suos tergere pulveres
Spectans oceano diem
¶ Et quid plura feram? novit et ultima
Thyle / nec vacua sub styge pallidi
Manes despiciunt carmina: testis est
En vates Rhodopeius
¶ Is raptam numeris Euridicen querens
Mulcebat placidis infera cantibus
Commovisse ferunt tartareum caput
Plutonem / cythare modis
¶ Cornelius
Plus dicam. rapidis strymona fluctibus
Spumantem numeris flexit Eagrides
Auditus superis manibus insuper
Sedem commeruit poli
¶ Vates Bistonius nuper Apolline
Compertam genito dante sibi lijram
Traxit percutiens pectine barbiton
Silvas et nemorum deas
¶ Advenere fere cantibus excite
Contractisque iubis colla ferocia
Summittunt manibus dum canit Orpheus
Mansuescuntque viri iugo
De Indiër, met dikke lippen en gekleurd van huid,
die als eerste zijn huis uit komt om te zien
hoe Phoebus, de zonnegod, zijn gouden hoorns uit de
vloeibare stromen verheft, hield zich met poëzie bezig.
Het land van de inwoners van Cadiz
kende de gedichten van de Thespiaden[1].
Het ligt het dichtst bij het punt waar de zon ondergaaten
ziet als laatste de dag het stof van zich afwassen.
Wat moet ik hier nog aan toevoegen? Ook Thule,
het uiterste punt op aarde kende muziek.
En ook de bleke schimmen aan gene zijde van de verlaten Styx
versmaden de verzen niet, daarvan getuigt wel de zanger van de Rhodope[2].
Met muziek op zoek naar zijn weggerukte Eurydice
wist hij de onderwereld genadig te stemmen met lieflijke liederen.
Men zegt dat hij Pluto, de koning van de Tartarus,
met de melodie van zijn citer heeft ontroerd.
Cornelius
Ik zal je nog eens wat vertellen. De zoon van Oeagrus[3] verlegde met zijn
muziek de loop van het bruisende water van de Strymon[4]
en toen de goden hem hadden gehoord, net als
de goden van de onderwereld, verdiende hij
een plek aan het hemelgewelf[5].
Toen Apollo aan zijn zoon de onlangs door hem uitgevonden
lier schonk, lokte de Bistonische dichter[6], zijn citer
tokkelend met de pen, bossen en boomnymfen naar zich toe.
Wilde dieren kwamen aanlopen aangelokt door zijn gezang,
hun manen lagen in hun woeste nek die zij lieten strelen door
de handen van Orpheus de zanger en tam
onderwierpen zij zich aan het juk van de man.
[1] Thespiae, oude stad aan de Helicon, de berg van de Muzen
[2] Rhodope, berg in Thracië, waar Orpheus vandaan kwam
[3] Ook dit is Orpheus, de zoon van de Thracische koning Oeagrus
[4] Strymon, rivier in Thracië
[5] Het sterrenbeeld de Lier is een eerbetoon aan Orpheus
[6] De Bistoni, een stam in Thracië, dus ook hier weer Orpheus
9r

¶ Pastus immemorem tardat et alitem
Escas dum soboli querit amabili
Suspensisque volis captat in ethere
Argutos cijthare modos
¶ Auget dicta stupor velivolam ratem
Immotam validis tractibus omnium
Plectris elicitum solvit a littore
Ad puppim veniens mare
¶ Plus dicam superos regnaque pallida
Idem blandisono gutture carmina
Placavit recinens et Sisiphi grave
Fixit concrepitans onus
¶ Ad sacros venio commemorans libros
Victor sit Gedeon dum resonat tuba
Et David Saulem carmine mitigat
Et flammas posuit rogus
¶ Hec ut rite prodem cantibus omnia
Placari recito proh genio fruens
Tantum desipuit pergat ut inclita
Demens spernere carmina.
¶ Herasmus.
¶ Quid ni: vera refers prohdolor et pudor
Ipsis constat homo crudior inferis
Flecti dulcisono carmine non valet
Sed dulces refugit modos
¶ Nunquam quinetiam desinit insequi
Torva bile lupis peior edacibus
Et que plumifera pascit undique
Preda sevior alite
Hij vertraagt de vlucht van de vogel die niet meer
aan eten denkt, hoewel hij op zoek is naar voedsel voor zijn tere jongen.
Hij houdt zijn vleugels stil en vangt in de lucht
de heldere klanken van de citer op.
Vol verbazing voeg ik nog aan mijn verhaal toe hoe
een zeilschip dat ondanks het krachtig trekken van allen
niet in beweging kwam: aangelokt door citer kwam de zee
naar de achtersteven en maakte het los van het strand.
En dan ook dit nog: met zijn welluidend stemgeluid
wist dezelfde zanger door het zingen van zijn liederen
de goden en de bleke schimmen te verzoenen
en zingend bracht hij de zware last van Sisyphus tot stilstand.
Dan kom ik nu bij de Heilige Schrift om verhalen op te halen.
Gideon behaalde zijn zege terwijl hij op de ramshoorn blies[1],
David kalmeerde Saul met zijn gezang
en de vlammen van de vuuroven doofden door gezang[2].
Ik vertel deze dingen om naar behoren te bewijzen
dat alles door liederen kalmeert. Hoe is het mogelijk
dat een man met een gezond verstand als een dwaas
doorgaat met het miskennen van beroemde gedichten.
Erasmus
Inderdaad, je hebt gelijk. Verdriet en schaamte past ons!
De mens toont nog minder gevoel dan de goden van de onderwereld.
Hij is niet in staat te buigen voor de zoete klank van het lied
maar vlucht voor de zoete tonen.
Inderdaad blijft hij doorgaan in blinde woede
erger dan vraatzuchtige wolven
en wreder dan roofvogels
die overal hun prooi verschalken.
[1] Gideon en zijn mannen bliezen in de strijd tegen de Midjanieten op de ramshoorns en behaalden in de paniek die hierdoor ontstond de overwinning. Richteren 7 en 8
[2] Dit is waarschijnlijk het verhaal uit Daniel van de drie jongemannen die in de oven geworpen werden omdat zij afgodsbeelden niet wilden vereren en er door Gods hulp zingend weer uitstapten.
9v

¶ Conculcata iacent docta poemata
Lumen pegasei Calliope chori
Iam neglecta locis exulat omnibus
Rupes incolit invias
¶ Regnat barbaries horrida regio
Sublimis solio ridet Apollinis
Artem laurigeram carmina rusticus
Docto barbarus imperat
¶ Et quid cuncta meis crimina persequar
Stultorum numeris? ante diem puto
Ornans syderium luminibus polum
Vesper subripiet michi
¶ Nec si quot placidis ignea noctibus
Sintillant tacito sydera culmine
Nec si quot tepidum flante favonio
Ver suffundit humo rosas
¶ Tot sint ora michi tot moveam sonos
Nunquam (crede) tamen sufficiam queri
Quantis pressa diu sacra poemata
Hoc seculo iaceant malis
¶ Hinc venere michi tedia carminum
Vates pars anime non tenuis mee
Hinc inquam studium destitui meum
Musarum tepuit calor
¶ Cornelius.
¶ Quod nunc Aonidum negligitur chorus
Hoc vesana facit mens sine litteris
Insanire putent carmina qui canunt
Ridens ac digito notans
Vertrapt liggen daar de geleerde gedichten.
Kalliope, de ster van het koor van de Pegasus-bron[1],
is overal miskend en nergens thuis en
bewoont onbegaanbare rotsen.
Barse barbarij maakt de dienst uit, hoog gezeten
op zijn koninklijke troon lacht hij om de met laurier getooide
kunst van Apollo, de onbeschaafde barbaar
commandeert de geleerde verzen te leveren.
En waarom zou ik met mijn verzen
alle misdaden van de dwazen opsommen.
Ik denk dat al eerder de avond, die het hemelgewelf
met het sterrenlicht siert, mij ongemerkt het daglicht ontneemt.
Ook al had ik net zoveel monden als in rustige nachten
vurige sterren schitteren aan het stille hemelgewelf,
of zoveel rozen als de lauwwarme lente
wanneer de zoele westenwind waait over de grond strooit,
als ik zoveel monden zou hebben als ik zoveel stemmen zou laten klinken
geloof me, ik zou nooit voldoende mijn klacht
kunnen laten horen over alle ellende die in onze tijd
de heilige poëzie terneerdrukt.
Hier komt mijn tegenzin tegen het dichten vandaan,
beste dichter, zielsverwant,
daardoor verslapte mijn belangstelling,
bekoelde het enthousiasme voor de Muzen.
Cornelius
Dat tegenwoordig de rei der Muzen[2] wordt miskend
zorgt voor zieke geesten zonder literatuur.
Zij denken dat mensen die liederen voordragen, gek zijn.
Zij lachen erom en wijzen hen met de vinger na.
[1] Pegasus deed met een trap van zijn hoef de Hippocrene, de hengstenbron ontspringen op de Helicon, de berg van de Muzen.
[2] Aonides Muzen als bewoners van Boeotië
10r

¶ En rara invidiam provocat ars sibi
Sed vincet superans. cedite pallida
Confecti macie ponite turgidum
Fastu livor edax caput
¶ Dic quecunque voles: dummodo carmina
Oblectare suo nos properent sono
Tu ride (nichil est) pluris habebimur
Et frons excipiet decus
¶ Buccis parce tuis hactenus invide
Nil sacris dedimus carminis edibus
Sed iam septra michi Davidis in vicem
Melchor de spolijs feram
¶ Gomer debelaijm coniugio fruar
De scorto generans israhel inclitum
Quo semen domini pulchrius emicet
Dulci Lybetridum sinu
¶ In nos ore fero livide garrias
Consumens proprios invida[1] sinus
En summos sequimur per studium viros
Nec sentit pulices equus
¶ Nostro sub studio plus cruciabere
Vel nunc destituas carmina persequi
Ne cantatus eas carmine pessimo
Confusas referens genas
¶ Quod si perstiteris nostra ciconia
Tantum feda potes rostra reducere
Serpentes comedas per nemus aspidum
Nec sacras aquilas vora ¶ Herasmus
¶ Nunc olim calamos ut Rhodopeios
Musam non aliter (crede michi) meam
[1] [invida] lees [invidia]
Het is nu eenmaal zo dat een zeldzame vaardigheid
niet altijd waardering oogst, maar zij komt wel altijd bovendrijven.
Uit de weg jullie, verteerd door bleke saaiheid,
verlammende afgunst, laat je van trots gezwollen hoofd zakken.
Zeg wat je maar wilt: zolang de liederen klaarstaan
om ons met hun klank te vermaken, lach jij dan maar,
dat doet ons niets, wij stijgen in aanzien en ons
voorhoofd zal getooid worden met de lauwerkrans.
Speel niet langer de blaaskaak, stop afgunstige kwast.,
Wij hebben geen lied gewijd aan de heilige tempel
maar nu zal ik net als David een staf dragen
uit de buit van Melchom.[1]
Ik zal de liefde bedrijven met Gomer, de dochter van Debelaim[2]
en bij een hoer zal ik een roemrijk Israël verwekken,
opdat daardoor het zaad van de Heer nog mooier
zal opbloeien in de zoete boezem van de Muzen.[3]
Met je brutale mond, afgunstige zielenpoot,
wauwel je tegen ons en door jaloezie vreet je je eigen hart op.
Kijk, wij treden door onze passie in de voetsporen
van de grootste mannen, een paard heeft geen last van vlooien.
Je zult door onze passie nog meer pijn lijden,
stop nu maar met afgeven op de dichtkunst,
anders zou er wel eens een heel naar liedje over jou gezongen
kunnen worden en loop je rond met het schaamrood op je kaken.
Maar als je doorgaat ons als een ooievaar te pikken,
kun je alleen maar een kapotte snavel oplopen.
Schiet op, ga adders eten in het bos
en probeer geen heilige adelaars te verschalken.
Erasmus
Zoals Hercules, de man uit Tiryns, ooit de fluit, gemaakt van
rietstengels van de Rhodope[4] weer liet klinken,
[1] I Kronieken 20,2
[2] Hosea 1-2
[3] Lybetrides: Muzen, genoemd naar een heilige bron in Thessalië
[4] Claudianus vertelt hoe Orpheus geïnspireerd door de daden Herakles weer ging zingen, nadat hij gestopt was met zingen
10v

Tu Tijrinthius hic alter in omine
Torpentes animos moves
¶ Sacrarum redijt meonidum calor
Et quam sepe dolens mestaque reppulit
Nunc (quamquam tenuis) musa tamen mea
Exultans repetit lijram
¶ Et quis rere fuit leticie modus
Qum post dicta dee grandia denique
Versus dulcisonos lumine candido
Vates aspicerem tuos?
¶ Ingens fama quidem: sed meritis minor
Ingens fama quidem iudice me tamen
Vincunt et fateor carmina gloriam
Et docti numeri tuam
¶ Reddis Virgilium versibus alterum
Seu prosam libuit texere liberam
lam prosa fateor Tullius alter es
Tantum scripta placent tua
¶ Ceptos ergo precor pergito tramites
Nostri non tenuis gloria seculi
Et spes una mei flammaque pectoris
Vatum reliquie prium
¶ Aspirent studijs Pierides tuis
Te nobisque diu fata superstitem
Servent: et spacij stamina plurimi
Producat Lachesis tibi.
¶ Et cum lethificus te tulerit dies
Nobis perpetuum tu nichilominus
Preclari titulis ora per omnium
Vives ingenij. vale
net zo - geloof me - breng jij, als een tweede Hercules, wat een
gunstig voorteken, mijn Muze, mijn verstijfde geest weer in beweging.
De gloed van de heilige Muzen[1] is weer terug
en de lier die mijn muze vaak met pijn en bedroefd
aan de wilgen had gehangen, neemt zij nu,
ook al is ze nog zwak, jubelend weer op.
En wat was denk je de maat van mijn blijdschap
toen na de verheven uitspraken van de godin,
ik ten slotte uw zoetklinkende verzen
in helder licht kon zien, dichter.
Uw reputatie is geweldig, maar minder dan u verdient.
Uw reputatie is geweldig, maar naar mijn mening,
overtreffen uw liederen en uw geleerde verzen,
ik verklaar het openlijk, echt uw roem.
In uw verzen schenkt u ons een tweede Vergilius,
of als u besloot vrij proza te schrijven,
dan verklaar ik dat u in proza een tweede Cicero bent,
zozeer behagen ons uw geschriften.
Ik bid u ga verder op de door u gebaande paden,
u de grote roem van onze tijd,
de enige hoop en vlam van mijn borst,
enig overgeblevene van de oude dichters.
Mogen de Piërische Muzen uw inspanning steunen
en moge het lot u lang voor ons bewaren
en laat Lachesis[2] een lange
levensdraad voor u spinnen.
En wanneer de dag van uw dood ons voor altijd
van u heeft beroofd, zullen de monden van allen
u doen voortleven met verhalen over uw
stralende genie. Gegroet!
[1] Hier aangeduid als Maeonides, uit Maeonië in Lydië
[2] Lachesis, een van de schikgodinnen, zij spon de levensdraad
11r

¶ Ad lesbium Metrum phalenticum hendecasyllabum.[1]
¶ De Nummo.
Ut quicquid cupis assequare Lesbi
Non magnos opus est paras patronos
Si turget rubeis crumena nummis
Nummo non melior patronus ullus
Sin vero tibi desit ille tutor
Nequicquam (michi crede) amice Lesbi
Facundus Cicero patrocinetur.
Persuadet citius nichil beata
Impetrat citius nichil crumena
Hac quodcunque voles eris repente
Facundus / generosus / atque bellus
Invictus sapiens amabilisque
Hac et consul eris et imperator
Hec te si cupies deum creabit
Equabitque lovi / sed ut tumentes
Cessabit loculos gravare nummus
Fies rursus eras quod ante Lesbi
Tam gratus venies tuis amicis
Quam primum puto parsimoniarum
Adventare diem hijs madens lagena
Quos et semper olens iuvat culina
Sic sic dum loculos habere Lesbi
Cessas: desinis esse charus. era
Desisti dare? desijsti amari
[1] Metrum (zetfout? Phaleuticum?) bestaande uit elf lettergrepen dat zijn naam ontleent aan de Griekse epigrammendichter Phalaikos, waarschijnlijk 4e eeuw v. Chr.
Aan Lesbius, in phaleutisch metrum
Het Geld
Om te bereiken wat je verlangt, Lesbius,
hoef je geen steun bij machtige mannen te zoeken,
als je beurs maar bol staat van gouden munten.
Geen beschermheer is beter dan geld.
Maar als je die steun in de rug moet missen,
geloof me Lesbius, dan zou zelfs de steun
van een welbespraakte Cicero je niets baten.
Niets overtuigt sneller, niets krijgt sneller
iets gedaan dan een goedgevulde portemonnee.
Daarmee ben je plotseling alles wat je maar wilt:
welbespraakt, edelmoedig en knap,
onverslaanbaar, wijs en aimabel.
Hierdoor word je consul en keizer.
Als je wilt, maakt geld je god,
maakt het je gelijk Jupiter. Maar zodra het geld
ophoudt je uitpuilende geldkist te vullen,
dan word je weer wie je eerst was: Lesbius.
Je bent dan volgens mij net zo welkom bij je vrienden
als wanneer de eerste dag van de vasten komt,
bij hen, die steeds zo genoten van de volle kruik
of de geuren uit de keuken. Ja zo gaat het Lesbius,
wanneer je geldkist leeg is,
dan ben je niet langer hun beste vriend.
Einde vrijgevigheid, einde vriendschap.
11v

¶ Guielmi Goudani.
Canonici divi Augustini in Stein Theologi ac Poete
Clarissimi.[1]
¶ Prosopopeia Hollandie bello penuria morbo
factionibus iam diu vexate de suorum calamitate lamen-
tantis.
Nox erat et fessum me mollia strata tenebant
Vicerat et facilis sopor artus
Ante oculos cum clara meos Hollandia stabat
Credere non dubitaverit ullus
Hei michi qualis erat quantum distabat ab illa
Que viguit pulcherrima quondam
Hei michi qualis erat stabat laniata capillos
Cesaque pectus / cesa lacertos
Has michi cum lachrijmis visa est depromere voces
Quas gemitus rupere frequentes
¶ Succubui tot victa malis lassata gemendo
Iam misere michi pectora anhelant
Iam nostri largis fluvij sunt fletibus aucti
In lachrymam sanguis fluit omnis
Divitie cecidere mee: cecidit bona rerum
Copia / bellroum[2] feritate
Horrida iampridem totam me torret egestas
Atra fames iam regnat ubique
Quacumque ingrederis credas occurrere manes
Ora modis sunt pallida miris
[1] Een gedicht in Alkmanische strofe+ dactylische hexameter en dactylische tetrameter
[2] [bellroum] lees [bellorum]
Van Willem van Gouda,
kanunnik van de heilige Augustinus van het klooster Stein, theoloog en zeer vermaard dichter
Verschijning van de Hollandse Maagd die, reeds lang gekweld door de oorlog, armoede en partijtwisten, een klacht uitspreekt over de ellende die dit brengt voor haar burgers.
Het was nacht en mijn zachte bed omvatte mijn vermoeide lijf
en een zachte slaap had mijn ledematen overmand,
toen de Hollandse Maagd duidelijk voor mijn ogen stond,
niemand zou twijfelen dat te geloven.
Mijn god wat zag ze eruit, wat een verschil
met die krachtige stralende vrouw van vroeger
mijn god wat een aanblik, ze stond daar en rukte zich de haren uit,
sloeg zich op de borst, sloeg zich op de armen.
En onder tranen scheen zij mij de volgende woorden uit te krijten
steeds weer onderbroken door snikken:
“Ik ben bezweken, overweldigd door zoveel ellende, uitgeput
door mijn jammeren, treurig snakt mijn borst naar adem.
Onze rivieren zijn al gestegen door een stortvloed van tranen,
al onze levenskracht vloeit weg in tranen.
Mijn rijkdom is verloren gegaan, weg zijn de mooie bezittingen,
door de grimmigheid van de oorlog word ik
al zolang verzengd door armoede,
grauwe honger heerst nu overal.
Waar je ook binnengaat, je denkt dat je schimmen tegenkomt,
merkwaardig bleek zijn hun gezichten.
12r

Auribus opplorat gnatorum turba paternis
Tota effusa est fletibus uxor
O quid agat pietas? quid agat pater atque maritus?
Pane caret quem porrigat omni
Solvit corda gravis dolor / inserpitque medullis
Ingens surgit pectore flamma
Propria nil tangunt mentem mala / posse pusillis
Gnatis cum genitrice mederi
Emptum morte velit lachrijmas spectare suarum
Haud quaquam tolerabile visum est
Ille petit campo bacchas lapidosaque corna
Decutit alter ab arbore glandes
Hic properat vitam iamiam fugisse parantem
Graminea radice morari
Pars fessi medijs ah procubuere plateis
Fessi animas egere sub auris
Multa saporiferis[1] inventa cadavera lectis
Mors somnum dedit atra perhennem
Non audituras quid vociferaris ad aures?
Eternus sapor[2] occupat illas
¶ Urbibus heu medijs ceu castris Martia fulgent
Signa: micant domibus clijpeorum
Fulgura / iam vacuis argento iam spoliatis
Lance sua rutilanteque pelvi
Tartareis volitat pennis metus omnia circum
Et comitem trahit ille tumultum
Ferrate cursant ceca sub nocte cohortes
Armarum sonitu omnia plena
Tecta beant[3] clamore virum / clangore tubarum
Necnon femineo ululatu
[1] [saporiferis] lees [soporiferis]
[2] [sapor] lees [sopor]
[3] [beant] lees [boant]
Het huilen van de kinderschaar kwelt de oren van de vader,
zijn echtgenote is geheel in tranen.
Hoe kan hij zijn plicht vervullen? Wat kan de vader,
de echtgenoot? Hij heeft het brood niet om aan ieder te geven,
ernstig verdriet doet zijn hart smelten, het kruipt in zijn botten,
een hevig vuur brandt in zijn borst.
Zijn eigen ellende raakt geenszins zijn geest, kunnen zorgen
voor zijn kleine kinderen en voor hun moeder,
met de dood zou hij het willen bekopen, het zien van hun tranen,
hij vindt het geenszins te verdragen.
De ene vader zoekt in het veld naar bessen en
kornoelje vruchten vol pitten[1], de ander schudt eikels uit de boom,
daar haast een ander zich het leven dat al bijna geweken is
te behouden met de wortels van gras.
Een deel is helaas uitgeput bezweken op straat,
uitgeput hebben zij de geest gegeven onder de blote hemel.
Veel lijken vindt men op bedden waar zij ooit sliepen
de grimmige dood schonk een eeuwige slaap.
Wat schreeuw je tegen oren die niet horen,
een eeuwige slaap heeft zich over hen uitgespreid.
Midden in de steden of in de legerkampen schittert
het oorlogstuig: in de huizen blikkeren schilden,
het zilver is al geroofd, de schalen en koperen potten
gestolen. Angst waart overal rond met hellevleugels,
en voert lawaai als metgezel mee:
geharnaste cohorten draven door de blinde nacht
alles is vervuld van wapengekletter,
huizen weergalmen met het geschreeuw van mannen,
met het schallen van krijgstrompetten en het jammeren
van vrouwen.
[1] Vergilius Georgica 234 corna lapidosa
12v

Ceditur hic phrensus[1] thalamis incautus inermis
Sub miserande coniugis ora
Ille tremens capit arma manu / ruit obvius hosti
Sed sumptis moriturus in armis
Capti alij patuloque foro ferienda iubentur
Tendere seve colla securi
Frangitur et laqueo guttur: truncata levantur
Aereis quoque corpora malis
Sunt quibus (ah crudele artus in frustra[2] secantur
Non sat penas morte dedisse
Duc age metantes circumduc lumina muros
Hic spectacula dira videbis
Solibus et ventis pendent atque ymbribus armi
Cissaque[3] pectora nigraque crura
Ecce vel ora virorum peracuto stipite fixa
Horendo[4] ora fluentia tabo
Me miseram ut vereor fama vulgante loquaci
Talia ne iam noverit orbis
Incipiam merito regio trux barbara dici
Et scelere ante immanior omnes
¶ Euheu diductis mea squalent arva colonis
Hirta incultaque plena ferarum
Nusquam qui pigues[5] glebas invertat aratro
Fenora qui segetum metat ampla
Non iam grex letis distentus obambulat herbis
Non rapidus grex cursat equorum
Cum pecore et stabulis equantes oppida pagos
Depopulatur et horrea Mavors
Sepe latro spolijs tardus per rura vagatur
Hos necat / hic incendia miscet
[1] [phrensus] lees [prensus]
[2] [frustra] lees [frusta]
[3] [Cissaque] lees [scissa]
[4] [Horendo] lees [Horrendo]
[5] [pigues] lees [pingues]
De een wordt, niet op zijn hoede, ongewapend, gegrepen en in zijn
slaapkamer neergehouwen, onder de ogen van zijn beklagenswaardige vrouw,
Een ander neemt trillend zijn wapen ter hand en
stormt op de vijand af, maar zal in het harnas sterven.
Anderen zijn gegrepen en krijgen op het brede plein bevel
hun nek te strekken voor de slag van de wrede bijl.
Of de nek wordt gebroken door de strop. Verminkt worden
lichamen ook nog aan bronzen stangen opgehangen.
Van sommigen wordt o gruwel, het lichaam in stukken gehakt.
Het is niet genoeg dat zij met de dood gestraft zijn.
Kom geef je ogen de kost, laat ze langs de muren gaan,
daar zul je gruwelijke beelden zien.
In zon en wind en regen hangen daar armen,
opengereten borsten en zwarte benen.
Of kijk daar, hoofden van mannen gespietst op scherpe staken,
hoofden waaruit gruwelijke etter druipt.
Wee mij, wat ben ik bang dat de praatzieke faam
dit rondvertelt en dat de wereld deze dingen nu weet.
Het zal ervan komen dat men mij terecht
een gruwelijke, barbaarse streek noemt,
een streek meer dan alle andere, onmenselijk misdadig.
Vreselijk, mijn landerijen liggen er onverzorgd bij
nu de boeren zijn weggevoerd, vol onkruid en onbewerkt,
vol wilde beesten en nergens een boer die de vette kluiten
met zijn ploeg keert, die de ruime opbrengst
van de gewassen maait, geen kudde komt je meer tegemoet,
met volle uiers door het malse gras.
Er draaft geen snelle kudde van paarden.
Samen met schapen in stallen, in dorpen net zo goed als in steden,
plundert Mars ook de graanschuren.
Vaak zwerft een rover, gebukt onder zijn buit, over het land:
hier doodt hij er een paar, daar sticht hij brand.
13r

Captivumque pecus trahitur pecorisque magister
Flet coniunx / crepitat casa flammis
Parva queror densa arma strepunt valideque phalanges
Multa per agros pugna necesque
¶ Nec minus interea est infectus sanguine pontus
Proh quot fluctus corpora volvunt
Hic fragor hic mors seva furit / hic fervida bella
Bella forent ceu cetera nusquam
Pars gladijs perfossa ruit pedibusque rotatur
Spumant multo transtra cruore
Huic iaculis anima excutitur: de puppibus altis
Excidit hic protractus in undas
Collapsusque inter quassantes ille carinas
Omnia fractus discrepat ossa
Grandia saxa volant fragiles ululante sub ictu
Dant gemitum tabule fit hyatus
Fit via vi: potoque mari (miserabile dictu)
Sorbentur navisque virique
Postquam inclinato cedit pars altera bello
Tum vero nova diraque cedes
Nulla salus victis fugiendi nulla potestas
Seva vias mors obsidet omnes
Victorem aspicias ratibus sevire cruentum
More lupi grassantis ovili
Quid sperent quid agant miseri? iugulum parat alter
Vellendum caput exerit alter
Excipit hic timido letalia vulnera tergo
Conditur illi pectore ferrum
Sunt qui desiliant pelago et sua corpora morti
Obijciant certe / fugientes
De geroofde schapen worden meegevoerd samen met hun herder,
zijn vrouw is in tranen, knetterend gaat zijn huis in vlammen op.
En dit zijn kleine dingen waarover ik klaag[1], dicht opeen kletteren
de wapens en de sterke linies, overal in de velden is strijd en moord.
En de zee ondertussen is niet minder gekleurd door bloed.
Vreselijk hoeveel lichamen ronddraaien in de golven,
hier klinkt tumult, daar raast de gruwelijke dood, daar woeden gevechten,
alsof er nergens anders gevochten werd.[2]
Een deel stort neer doorstoken door zwaarden en wordt door voeten vertrapt.
De dekken schuimen van stromen bloed.
De een verliest zijn leven door speren, een ander valt, voortgedreven
van de hoge achtersteven in de golven.
Daar valt er een tussen de botsende schepen
en al zijn botten gebroken, krijst hij het uit.
Enorme stenen vliegen door de lucht, onder hun gierende inslag
kreunen de planken, ze slaan een gat,
door het geweld ontstaat een opening[3], en door het binnendringende
zeewater wordt schip en bemanning verzwolgen, een treurig verhaal.
Wanneer elders een groep zich terugtrekt als het gevecht
zich tegen hen keert, ontstaat er een nieuwe verschrikkelijke
slachting, er is geen redding voor de overwonnenen,
geen kans om te ontkomen, een kille dood blokkeert alle wegen.
Je kunt de bebloede overwinnaar tekeer zien gaan op de schepen
als een wolf die gelijk een dolle tekeergaat in een schaapskooi.
Welke hoop is er voor de ongelukkigen, wat kunnen ze doen,
de een laat zich de keel doorsnijden, de ander laat zich onthoofden.
daar ontvangt iemand dodelijke wonden in zijn bange rug,
nog een krijgt een zwaard in zijn borst.
Er zijn er die in zee springen en hun lichaam aan een zekere dood
overleveren, op de vlucht
[1] Ovidius Metamorphosen II, 214
[2] Vergilius Aeneis II 438-439
[3] Vergilius Aeneis II 494
13v

Sumentem penas nimium crudeliter hostem
Ast ubi tandem egreque quievit
Debachata satis rabies: iam mitior hostis
Mergit mortua vivaque ponto
Quis retinere queat lachrymas? que saxea corda
Non specie mollescere tali?
Sanguineis undis hominum volvuntur acervi
Ipsa vel equora lata redundant
Mortuus hic fluitat / illi vita est animusque
Sed caret is que brachia iactet
Turbaque nare potens oppressa cadavere denso
Heret: et irrita brachia iactat
¶ Heu non me tellus infortunatior usquam
Fatum adeo miserabile nulli
Undique clausa premor / pugna est intusque forisque
Undique mors me pallida spectat
Sum tot nuda meis rebus / tolerabile: si non
Et populi viduata catervis
Res bello periere mee: bellumque et egestas
Seva viros hausere frequentes
Preterea pars magna mei toto errat in orbe
Exul: egens victusque larisque
Nec miseris dulcem patriam: nec visere parvam
Fas sobolem cum coniuge chara
¶ Ergo sopiti cantus hilaresque choree
Territa gaudia conticuere
Multus ubique dolor / impletur questibus ether
Ingens occupat omnia luctus
Merces ille suas deplorat egenus ademptas
Hec plangit viduata marito
voor een vijand die ongemeen wreed wraak neemt.
Maar wanneer eindelijk, ternauwernood, de razernij
uitgeraasd tot rust is gekomen, stort de vijand, al milder gestemd
al wat dood is en nog leeft in zee.
Wie kan dan zijn tranen bedwingen? Welke harten van steen
worden niet week bij een dergelijke aanblik?
In de bloedrode golven rollen massa’s mensen heen en weer,
ja zelfs de wijde zee is overvol.
Hier dobbert een dode, de man daar leeft nog
maar kan zonder armen niet zwemmen.
En de menigte die nog wel kan zwemmen wordt gehinderd
door de massa lijken en komt niet vooruit
en slaat tevergeefs zijn armen uit.
Ach nergens is er een ongelukkiger land dan ik,
niet een streek worstelt met zo’n ellendig lot.
Overal zit ik opgesloten, belaagd,
zowel binnen als buiten is er strijd,
overal grijnst de bleke dood mij aan.
Ik ben beroofd van zoveel bezittingen, dat was nog
te verdragen als ik niet ook hele scharen volk was kwijtgeraakt.
Door de oorlog zijn mijn bezittingen verloren gegaan: oorlog
en gruwelijk gebrek hebben talloze mensen het leven gekost.
Bovendien zwerft een groot deel van mijn volk over de wereld
als balling, zonder voedsel of onderdak.
En de ongelukkigen moeten het stellen zonder hun dierbare vaderland,
zij kunnen hun kleine kinderen of hun lieve vrouw niet bezoeken.
Dus slaapliedjes en vrolijke dansjes, zijn verstomd, blijde vreugde zwijgt verjaagd.
Overal is veel verdriet, de lucht is vervuld van klachten.
Overal heerst diepe rouw: hij daar is beroofd en beklaagt zich over
de koopwaar die hem ontnomen is, daar huilt een weduwe
over het verlies van haar man.
14r

Eluget natos amissos orba senectus
Pupilli flevere parentem
Evi fata sui mature apteque cubili
Non semel ingemuere puelle
Ipsa vel indigno languet merore iuventus
Prorsus tantis molibus impar
Quo superi tantas quo crimine movimus iras?
Quo merite tot crimine penas?
Si dabimur leto / et iampridem Hollandia divis
Invitis superest: pereamus
Quando sic placitum / mortem nil deprecor: oro
Advolitet pernicibus alis
Mors cita munus erit / properato occumbere casu
Si datur: occubuisse iuvabit
¶ At michi qui tandem tantorum causa malorum
Hij mea viscera quos genuere
Quos alui quibus a nobis est quicquid honorum est
Per nos quicquid divitiarum
Damnum si dederit vinctus meritis tibi nullis
Non capies grave pectore vulnus
Sin nocuisse parant hij quos prodesse decebat
Ingenti feriere dolore
Vos ne mei gnati miseram laniare parentem?
Has ego per lachrymas gemitumque
Per vos oro ipsos / per dulcia pignora / non sit
Non sit cuncta potencia tanti
Ut pietas tumido decedat pectore toto
Et subeat crudelis Erijmnis
Est onus omnis honos, idem res lubrica semper
Et curis comitatur amaris
Bejaarden rouwen om het verlies van hun kinderen,
wezen wenen om hun ouders.
Over hun ongelukkige jeugd slaken meisjes talloze klachten
meisjes, die volwassen zijn en rijp voor het huwelijk.
Door de onverdiende ellende laat de jeugd het hoofd hangen,
totaal niet opgewassen tegen zoveel beproevingen.
Waardoor, goden, door welke misdaad hebben wij
zoveel woede opgewekt? Voor welke misdaad hebben
wij zoveel straf verdiend? Als wij dan moeten sterven en
de Hollandse Maagd tegen de zin van de goden nog steeds leeft:
laat ons sterven als dat besloten is.
Ik bid niet om mijn dood af te wenden, ik smeek dat
de dood op snelle wieken komt aanvliegen.
Een snelle dood zal een geschenk zijn, als het vergund is te vallen
door een snel einde; de dood zal een genoegen zijn.
Maar er zijn er die voor mij de oorzaak zijn van zoveel ellende,
die ikzelf heb voortgebracht, die ik heb grootgebracht,
die door mij een eervolle positie hebben bereikt, die door ons
rijkdom hebben verworven.
Als iemand die door geen enkele gunst aan jou verplicht is
jou schade berokkent, dan zul jij geen snijdende pijn in je borst voelen,
maar als degenen die jou moesten helpen, zich opmaken om je te schaden
word je getroffen door een geweldig verdriet.
Wat nu mijn kinderen, willen jullie je arme moeder verscheuren?
Omwille van deze tranen smeek ik jullie, omwille van mijn snikken,
omwille van jullie zelf, omwille van jullie dierbare kinderen,
laat het niet zover komen, laat de macht die jullie samen hebben
er niet toe leiden, dat alle eerbied uit jullie trotse hart verdwijnt
en dat de wrede wraakgodinnen moeten ingrijpen.
Alle eer is een last, elke eer is altijd een glibberige zaak
en gaat vergezeld van bittere zorgen.
14v

Celsa ferit ventus / non sunt sublimia tuta
Alta cadunt graviore ruina
¶ Preclaris etiam parci decuitque soletque
At regionum ego cessero nulli
Quamvis pregrandes Libije superamus aristas
Nec pecoris magis altera habundat
India mittit ebur / mittunt sua thura Sabei
India fulvum iactat Hijdaspen
Est quam Pactolus est quam Tagus amnis inauret
Claris hec fecunda metallis
Adde alibi pulchram reperiri littore gemmam
Hic splendentia marmora nasci
Quis vites Rheni quis Thmoli nescit odores?
Cui non cognita vellera Serum?[1]
Nec me Sidonijs iactatum preterit ostrum
Assyrium neque fallit amomum
Dotes queque suas tellus habet: attamen ausit
Me non ulla negare priorem
Sed quid lamentor? quid inanes fundo querelas
Verba tulit citus omnia ventus
Nil prosunt lachryme / nil tot suspiria prosunt
Occlusas pulsavimus aures
Heu quos implorem. que supplex numina poscam?[2]
Quis laturus opem pereunti?
¶ Magne parens rerum tremefactans omnia nutu
Qui mundi moderaris habenas
Te penes est vite pariter mortisque potestas
Nent tuo[3] seve iussa sorores
Tu iubeas pax alma / quies tranquilla resurget
Bellum oritur si iusseris idem
[1] Seres, volk in Oost Azië, bekend om hun zijdebewerking
[2] Vergilius Aeneis, I, 666: supplex tua numina posco,
[3] [tuo] lees [tua]
Hoge bomen vangen veel wind, hoge toppen zijn niet veilig,
hoe hoger de top, hoe dieper de val.
Maar ook is het zo dat men edelen hoort en pleegt te sparen.
Welnu voor geen van de gebieden op aarde doe ik onder:
van Libië bijvoorbeeld overtreffen wij de zeer grote graanoogst
en geen ander gebied is rijker aan vee,
India voert ivoor uit, de inwoners van Saba hun wierook[1],
India is trots op de goudgele Hydaspes.
Er is een land waar de Pactolus en een land waar de Taag goud aanvoert.
Hier is een land dat rijk is aan glanzende metalen,
elders worden er op de kust mooie edelstenen gevonden;
ook is er een land waar schitterend marmer vandaan komt.
Wie kent niet de wijnstokken van de Rijn of de geurige wijnen van de Tmolus[2].
Wie heeft nog nooit gehoord van de zijden stoffen van de Seres
en het is me niet ontgaan dat Sidon beroemd is
vanwege haar purper en de geurige amoom[3] uit Assyrië ken ik
natuurlijk ook. Elk land heeft zijn eigen schatten
en toch heeft geen land het aangedurfd te ontkennen
dat ik nummer een ben. Maar wat sta ik hier te jammeren?
Waarom een stortvloed aan zinloze klachten?
Een snelle wind voert al mijn woorden mee.
Tranen baten niet, mijn vele zuchten helpen niets,
wij kloppen aan bij dovemansoren.
Ach wie kan ik aanroepen, tot welke goden
kan ik mijn smeekbeden richten?
Wie zal hulp bieden aan mij in mijn ondergang?
Grote Vader van alle dingen, die alles met een knik laat beven,
die de teugels van de wereld hanteert
bij U berust de macht over leven en over dood.
De wrede zussen[4] spinnen de draden zoals U beveelt.
U kunt bevelen dat de weldadige vrede terugkeert,
dan zal de vredige rust terugkeren,
evengoed wordt het oorlog als U dat beveelt.
[1] Echo van Vergililius, Georgica I, 57
[2] Timolus (of Tmolus) verwijst in de mythologie naar een Lydische berggod, de personificatie van de gelijknamige berg in Lydië (het huidige Turkije)
[3] Amoom, reukstof, balsem
[4] De Schikgodinnen
15r

Aspice fortunas oculis quibus omnia nostras
Aspice tantos oro labores
Me pereunte tui pars magna occumbet honoris
Thure ego centum templa vaporo
Virginibusque tibi quid sum factura sacratis
Quarum tu contactus amore?
Quasque tuus manet amplexus thalamique pudici
Quas tibi sponsas anxia servo
Ecquid ehem video? immanes panduntur hyatus
Tartarei / accenseque furore
Supplicia Eumenides properant nova / que mala tanta
Tanta meos ne manent mala gnatos.
Horreo conspiciens. riguit coma / surgit in auras
Membra fluunt sudore tremuntque
Huc agite o gnati tantas evadite penas
Huc oculos huc vertite vestros
Plura loquebatur: si non pavitantia velox
Pectora somnus destituisset
¶ Deo [drukkersmerk] Gracias
¶ Finit Silva Carminum per Aellaerdum
Gauter calcographum castigatissime
exaratum in Gouda ante diem
decimum quintum
¶ Anno mille- Kalendas Quingentesimo
simo Junij. xiij.
Bezie ons lot met de ogen waarmee U alles beziet
bezie vraag ik U al deze ellende.
Als ik verga, verdwijnt er een groot deel van Uw eerbewijzen.
Ik brand wierook in honderd kerken.
Wat zal ik doen voor alle jonge vrouwen die U zijn toegewijd,
op wie Uw liefde zich richt? Hen wacht Uw omarming,
hen wacht de omarming van het kuise huwelijk.
Ik waak angstvallig over de bruiden die U zijn toegezegd.[1]
Hemel wat zie ik nu? De gruwelijke deuren van de Tartarus
gaan open en in woede ontbrand, sturen de Eumeniden[2]
nieuwe straffen op ons af, ach al die rampen; wachten al die rampen
mijn kinderen? Ik huiver als ik het zie, mijn haren rijzen te berge
en staan recht overeind, het zweet stroomt over mijn rug,
mijn lichaam trilt, kom hierheen, mijn kinderen,
ontsnap aan deze grote straffen, wend jullie ogen hierheen.”
Ze zou nog doorgesproken hebben,[3]
als de slaap niet snel mijn bevende borst had verlaten.
Gode zij dank
Hier eindigt de Silva Carminum gedrukt door Allard
Gauter, het werk is zeer zorgvuldig drukklaar gemaakt te Gouda
18 mei 1513
[1] Van de aanroep van de klassieke Jupiter verschuift het beeld naar de christelijke God en de smeekbede eindigt met de vraag hoe het nu moet met de nonnen, bruiden van Christus.
[2] De wraakgodinnen
[3] Ovidius Remedia amoris, V, 75: plura loquebatur, placidum puerilis imago destituit somnum
15v


