Wouter Jacobsz Masius/Maas was de laatste prior van het klooster Stein dat na een verwoestende brand in 1549 verplaatst werd van het land van Stein naar de Raam in Gouda.

Het was het klooster van de Regulieren van Augustinus, waartoe ook Erasmus behoorde.
Wouter Jacobsz Maas werd in 1521 in Gouda geboren. In 1572 ging Gouda over naar de prins van Oranje en werden alle kloosters gesloten. Wouter zocht een veilig heenkomen in Amsterdam. In 1587 is Wouter weer terug in Gouda waar hij op 5 maart 1595 in de Sint-Jan werd begraven.
In deze brief richt hij zich tot Sasbout Vosmeer, de apostolisch Vicarus, dat is de hoogste vertegenwoordiger van de paus in de Nederlanden waar de katholieke godsdienst verboden was. In Rome beschouwde men Holland als een missiegebied.
Hij heeft zich als prior van de Reguliere monniken ontfermd over een aantal nonnen van zijn orde. Het toezicht op de nonnen levert hem een fors probleem op. Een paar oudere nonnen hebben geld, maar houden de hand op de knip. De jongere nonnen willen het klooster verlaten, omdat zij bang zijn dat zij op hun oude dag zonder geld zitten. Wouter Jacobsz heeft dit opgelost met een notariële akte. Hij heeft een anonieme brief ontvangen waarin de schrijver zegt dat hij met deze akte iets heeft geregeld wat monniken niet mogen regelen en is bang dat men hem in de ban wil doen. Hij vraagt hulp aan Sasbout.

Hieronder staan de facsimiles van het handschrift alsmede de transcriptie en vertaling. Door te klikken op een kleine afbeelding wordt het volledige facsimile getoond.

1r

0200.6291_1r

[1]]26 decembro 1588 Sasbotio
[[2]]Quod hactenus Reverendissime Domine litteris nostris Reverentiam tuam non convenerim
non alia ratione intermisi quam quod gravioribus te scirem occupatum, et indignum existimarem
Reverentiam Tuam pluribus gravare. Quod vero nunc scribam obnixe precor ne egre feras, urgeor
enim huc gravissimo maerore adeo consternatus, ut metum hunc ferre prorsus nequeam, confidens
huius aliqualem mitigacionem tuo responso hic mihi prestandam. Dolorem suggero, quem mihi pe-
perit epistola quedam mihi brevi exhibita qua admoneor mihi prospicere ne excommunicationem aut
graviorem patrum censuram inciderim, quod videar contravenire constitucionibus patrum consiliorum cano-
nibus, universitatum diffinitionibus, denique et religiosorum votis. Suggerit item author huius epistole quod
ex animo ingemiscat, et doleat meam condicionem, deprecans Dominum Deum ut mentem meam illuminare dig
netur. Heu, siccine Reverende Domine incidam dampnacionis censuram pro meo tam sedulo labore quem
Ziriceanis virginibus nostris impendi, quum ipsarum et saluti et quieti intendo. Certe hic mihi coro-
nam a Deo gloriosam exspectaram, quod pietatis remunerationem crebrius lego. Absit tamen vel nunc
dubitem, certus alia iudicia fore Jhesu Christi Domini nostri pientis, quam sit iudicia hominum. Credo
autem, Reverentia Tua minime latere unde mihi hec fulmina, suspicor tamen rem ne rem ipsam ut vere se habet
sic narrarint illi. Concede obsecro, Reverende Domine, ut historiam hanc tue Paternitati paucis aperiam
Collegium Ziriceanum non credo quod ignores nostri Capituli monasterium fore. Virgines proinde
eius collegij quum ex tribus locis profligate ante annos tres aut quatuor nos accederant deli-
berate sub nostra obedientia ut ipsarum superiori se velle subiicere, dum tempora hec misera in hunc modum
sevirent, supplices mihi erant ne ipsis hic meam operam negarem. Quid agerem qui ex officio
me ipsis devinctum fore satis agnoscebam. Acceptabam illas benigne admodum, deindeque ipsarum
curam non aliter egi, quam cui persuasum foret Domini tamen voluntate has mihi destinatas sic tractan
das, ut de hijs aliquando eidem Domino Jhesu redditurus rationem. Quum proinde hijs intendo, deprehendo crebrius
que in ipsis mihi displicent, que quidem correcta vellem sed periculum videns maioris scandali, consultius
sepe iudico connivendo illas continere ne ad graviora declinent, quam si importunitate ipsas con
tumaces facerem. Non credo, Reverende Domine propositum hoc meum improbare quum satis intelligat quam omnia
sint temptanda ut oves nobis commissas Pastori nostro integras restituamus. Prospicio igitur
sedulo emineatne alicubi spes has reformandi, quum interim percipio iuniorum monialium defectionis
meditaciones, deinde vero aliarum duarum proventum annuum, quo se proprietarias exhibent. Prime mussitant
ipsis metum fore ne quum adolescentiores senioribus et laborant et inserviunt in maturiori etate ipsis
necessaria deficiant, consultius proinde illis ut suis sese subducant, atque sue senectuti provideant veluti
hijs prospectum existimant, alie porro ne denarium quidem communitati concedere volebant. Hoc malo quum
collegium istud misere exerceretur, adeo ut hinc huic ipsissima desolacio in ianuis videretur, nec Dei
verbo ad meliorem mentem revocari posset, tum Dei optimi Maximi beneficio ecce fit, unam harum tanta
infirmitate corripi ut animam agere videretur. Hic ego oportunum ratus meum officium facere, cuius
occasionem mihi prestari diu anxie exspectaram, nunc infirmam, deinde adolescentiores tum vero alias
conveniens sedulo egi ut hoc malum sibi auferri paterentur, negociumque hoc eo (Dei confido auxilio) re
degi, ut adolescentiores sua susuria reclamarint, proprietarie vero proventum suum communitati resig
narint. Deinde vero ne illis dubia foret hec conciliatio, certaque illis permaneret spes in communem ipsarum
usum permansurum, si parcimonia et labore rem domesticam sibi facere possent aliquanto ampliorem, hinc consultum
mihi visum per notarium contractum hunc ipsis ratum facere, persuasus non alio medio hijs tranquillitatem posse
perseverare. si quando ex ipsis quampiam contingat vita migrare, quod hec tempora permittant defunctorum eciam religiosorum consanquinibus, ipsorum relicta hereditario iure expostulare. Habes hic, Reverende Domine, peccati mei
(si tamen peccatum dici debet) omnem circumstantiam. Optarim vehementer dispiceat, Paternitas Tua iudicetque hinc quid sentiat. Audio clamantes testari religiosis interdictum fore. Clamo idem et ego, non ignarus
Divum Augustinum hoc nobis in eo inculcasse quo de illo legimus quod nullum testamentum fecit

 

[1] andere hand
[2] [Salutem Plurimam] in de marge

26 december 1588, aan Sasbout Vosmeer[1]
Veel heil en zegen
Dat ik tot nu toe, zeereerwaarde Heer, geen brief heb gestuurd naar uwe Genade, heb ik om geen andere reden nagelaten dan dat ik weet dat u door gewichtiger zaken in beslag wordt genomen en ik vond het niet gepast om uwe Genade met nog meer zaken lastig te vallen. Ik smeek u dringend om het mij niet kwalijk te nemen dat ik nu toch schrijf, maar ik word hiertoe gedreven omdat ik zo ontsteld ben door heftige zorgen dat ik deze toestand niet langer kan dragen, in het vertrouwen dat uw antwoord mij enige verlichting in dezen zal brengen. Ik doel op het verdriet dat een brief die mij onlangs werd bezorgd mij heeft gedaan. Daarin spoorde de schrijver mij aan om op te passen dat de vaderen[2] mij geen excommunicatie[3] of nog zwaardere straf zullen opleggen, omdat het de schijn heeft dat ik zou hebben gehandeld tegen de regels van de vaderen, de richtlijnen van de concilies, de voorschriften van de theologen aan de universiteiten en ten slotte tegen de kloostergeloften. De auteur van deze brief[4] beweert dat hij met hart en ziel mijn toestand beklaagt en betreurt en dat hij de Heer God bidt om zich te verwaardigen mijn verstand te verlichten.
Ach, eerwaarde Heer, zou ik kritiek en veroordeling ontvangen vanwege het werk dat ik zo ijverig heb verzet voor onze zusters uit Zierikzee[5], terwijl ik mij juist inspan voor hun veiligheid en rust. Ik had hier zeker de gloriekroon van God voor verwacht, waarover ik zo vaak lees als beloning voor vroom gedrag. Laat ik nu misschien toch maar niet gaan twijfelen, want ik ben er zeker van dat het oordeel van onze barmhartige Heer Jezus Christus anders zal zijn dan het oordeel van de mensen. Ik geloof echter, dat uwe Genade heel goed weet waarvandaan deze donderbui op mij afkomt en ik vermoed dat zij u niet verteld hebben hoe de zaak werkelijk in elkaar zit. Daarom smeek ik u om mij toe te staan deze geschiedenis aan u, eerwaarde Vader, in een paar woorden uit de doeken te doen.
U weet zeker wel dat het College van Zierikzeese nonnen een klooster is van ons kapittel. Daarom, toen de nonnen van dit college vanuit drie plaatsen weer bijeen waren gekomen en mij drie of vier jaar geleden benaderd hadden, omdat ze na rijp beraad hadden besloten om zich onder mijn gezag te stellen als was ik hun overste, zo lang als deze ellendige tijden zo blijven voortwoeden, smeekten zij mij om hun deze dienst niet te weigeren. Wat kon ik doen, ik die uit hoofde van mijn functie toch verplichtingen aan hen had. Ik heb hen dus zeer welwillend opgenomen, en daarna heb ik voor hen op dezelfde manier zorggedragen, als iemand zou doen die ervan overtuigd was dat het door de wil van God was voorbestemd dat zij mij toevertrouwd zouden worden en zo behandeld moesten worden alsof ik ooit bij de Heer Jezus voor hen verantwoording zou moeten afleggen.
Dus terwijl ik mij zo voor hen inspan, zie ik regelmatig zaken in hen die mij niet bevallen, die ik wel zou willen corrigeren maar omdat ik het risico zie van een grote ruzie, lijkt het mij wijzer om hen met toegevendheid te behandelen en zo te voorkomen dat hun gedrag erger wordt, dan om hen weerspannig te maken door streng op te treden. Ik geloof niet, eerwaarde Heer, dat u mijn aanpak afkeurt, omdat u terdege begrijpt dat ik alles in het werk moet stellen om te proberen de schaapjes die aan mij zijn toevertrouwd weer ongeschonden naar onze Herder terug te brengen.
Dus ik zoek ijverig of zich niet ergens een kans voordoet om hen bij te sturen en intussen krijg ik door dat de jongere nonnen plannen maken om te vertrekken en daarnaast dat twee anderen een jaarlijks inkomen ontvangen (opbrengst van onroerend goed) dat de eigenaressen voor zichzelf reserveren. De eersten mopperen dat ze bang zijn dat het hun – terwijl ze in hun jonge jaren werken en sloven voor de ouderen – op rijpere leeftijd aan de noodzakelijke middelen zal ontbreken, en ze menen dat het daarom verstandiger is voor hen om stilletjes hun kloostergenoten te verlaten en voorzorgen te treffen voor hun eigen oude dag zoals die anderen daar ook voor gezorgd hadden. Die anderen wilden overigens nog geen cent overdragen aan de gemeenschap.
Terwijl de gemeenschap door deze ellende werd geteisterd, zo heftig dat een massale uittocht voor de deur leek te staan, en zij niet door Gods woord tot betere gedachten konden worden gebracht, toen gebeurde het door de goedgunstigheid van God almachtig dat één van hen zo zwaar ziek werd dat zij op sterven lag. Hier zie ik een gunstige gelegenheid om mijn werk te doen, terwijl ik al zo lang bekommerd heb gewacht dat die gelegenheid mij geboden wordt. Eerst bezoek ik de zieke, daarna de jongere nonnen en vervolgens ook de anderen en met veel inspanning heb ik bereikt dat zij zich erin schikten dat deze onmin werd weggenomen, en dit probleem heb ik (met Gods hulp) zodanig opgelost, dat de jongere nonnen hun gemopper herriepen en dat de eigenaressen hun inkomsten aan de gemeenschap overdroegen. Vervolgens, om te voorkomen dat er bij hen twijfel bleef bestaan over deze verzoening, en opdat ze er vast op konden vertrouwen dat die inkomsten voor gemeenschappelijk gebruik toereikend zouden zijn, als zij zich door spaarzaamheid en arbeid in het huishouden wat meer armslag konden geven, leek het mij vanuit die gedachte raadzaam om dit via een notarieel contract voor hen te bekrachtigen. Ik ben ervan overtuigd dat op geen enkele andere manier hun rust kan worden verzekerd, als het ooit gebeurt dat één van hen dit leven verlaat, omdat men in deze tijden het aan verwanten van overleden nonnen toestaat om hun nalatenschap volgens het erfrecht op te eisen.
Daar hebt u dan, eerwaarde Heer, de hele omstandigheid van mijn zonde (als het wel een zonde genoemd kan worden). Ik zou dringend willen vragen dat u, eerwaarde Vader, de zaak overweegt en uitspreekt wat u ervan vindt. Ik hoor mensen luidkeels verkondigen dat het religieuzen is verboden om een testament te maken. Dat verkondig ik ook, ik weet heel goed dat de heilige Augustinus ons dit heeft ingescherpt in een passage waar we over hem lezen dat hij geen testament heeft gemaakt.

 

[1] Sasbout Vosmeer (1548-1614) was ten tijde van deze brief apostolisch vicaris (=hoofd) van de Hollandse Zending. De paus had de protestantse Nederlanden tot officieel missiegebied verklaard. De taak van de Hollandse Zending was om mensen weer terug te winnen voor het katholieke geloof.
[2] De vaderen: de leiding van het kapittel van Sion waartoe ook het klooster Stein behoorde.
[3] Excommunicatie was een disciplinaire straf binnen het klooster waarbij de gestrafte monnik tijdelijk werd uitgesloten van het gemeenschappelijke leven, Bijvoorbeeld doordat hij niet samen met anderen mocht eten (bij lichte vergrijpen). Een hogergeplaatste monnik kon uit zijn functie worden ontheven, zodat hij bijvoorbeeld niet meer de biecht mocht afnemen, de mis opdragen of de sacramenten toedienen.
[4] De afzender van debrief waarvan Wouter Jacobsz spreekt is onbekend. Het is goed mogelijk dat het gaat om iemand van binnen het kapittel van Sion.
[5] Het gaat om het Driekoningenklooster in Zierikzee, dat behoorde tot het kapittel van Sion. Een aantal van de nonnen daar kwam uit gegoede regentenfamilies. In 1572 is het klooster opgeheven en de nonnen raakten over verschillende plaatsen verspreid. Uit deze brief blijkt dat ruim tien jaar later een groepje van deze nonnen zich in Gouda heeft verzameld onder de leiding van Wouter Jacobsz. Daaronder was ook de moeder-overste Jacobina Boom (of: Jacomijne Bloem). Zij is begraven in de Sint-Jan te Gouda.