In het Landesarchiv Nordrhein Westfalen heeft een bestuurslid van Die Goude een vrijgeleide naar Gouda gevonden, opgesteld namens Maximiliaan van Oostenrijk (AA 0053, Nr. 2532).
Inleiding
VRIJGELEIDE 1483, tijdens het Beleg van Utrecht
Het vrijgeleide is op 31 juli 1483 ondertekend namens hertog Maximiliaan van Oostenrijk, op dat moment de werkelijke machthebber in grote delen van de Nederlanden.
Het stuk is getranscribeerd en hertaald en heeft te maken met het Beleg van Utrecht, van 23 juni tot 3 september 1483. Het beleg maakt deel uit van de Stichtse Oorlog.[1] De strijd in 1483 is een van de vele confrontaties in de langdurige Hoekse en Kabeljauwse twisten (ca.1350-ca.1490). Deze twisten betreffen de opvolging in het graafschap Holland en de invloed van de Bourgondiërs. De Hoeken zijn vooral edelen maar ook steden die zich verzetten tegen het centraliserende gezag van de Bourgondische hertogen, terwijl de Kabeljauwen juist de Bourgondische heersers, zoals Maximiliaan, steunen.
In dit geval is het een strijd tussen de bisschop David van Bourgondië en Engelbrecht van Kleef, over wie het Sticht Utrecht gaat besturen.
David van Bourgondië is de Kabeljauwse, zittende bisschop, als Engelbrecht op 24 december 1481 het stokje overneemt en als ruwaard bezit neemt van de Utrechtse bisschopszetel. David van Bourgondië is niet meer welkom en verblijft ruim een jaar met zijn leger voor de poorten van Utrecht. Maar dat mag niet baten: immers, in april 1483 maakt bisschop David zich opnieuw meester van de stad. Drie weken later verjaagt een Hoekse medestander van Engelbrecht hem weer.
Vanaf dat moment komt Maximiliaan van Oostenrijk in beeld. Hij is de eigenlijke machthebber en in deze tijden voortdurend aanwezig in de Nederlanden. In juli 1483 slaat Maximiliaan het beleg voor Utrecht met een enorm leger. Zijn soldaten proberen zich Utrecht in te vechten, wat in eerste instantie mislukt. Maximiliaan komt met versterking. Engelbrecht verliest, maar mag wel op audiëntie bij Maximiliaan. De onderhandelaars Engelbrecht van Kleef en Gerrit Zoudenbalch, burgemeester te Utrecht, worden echter gevangengenomen en overgebracht naar het kasteel in Gouda. Dit moet gebeurd zijn tussen begin juli en 31 juli. Minderbroeder Willem Franck en een klerk, krijgen een tijdgebonden vrijgeleide van Maximiliaan om vanuit Utrecht, met hun begeleiders, in Gouda met Engelbrecht te onderhandelen en weer veilig terug te keren naar Utrecht.
Begin september capituleert Utrecht echter en wordt er een vredesverdrag ondertekend.[2] Maximiliaan herstelt de functie van Davíd van Bourgondië als bisschop van Utrecht.
Engelbrecht van Kleef wordt in 1484 vrijgelaten en gaat terug naar Kleef. De meer dan honderd jaren strijd tussen Kabeljauwen en Hoeken loopt dan bijna ten einde.
[1] Ter oriëntatie, 18e en 19e-eeuwse bronnen, o.a.: Jan Wagenaar, Vaderlandsche Historie Deel IV. Nieuwe beroerte te Utrecht. blz 224-226; Asch van Wijck, A.M.C. van, Driejarige oorlog tusschen Maximiliaan en de stad Utrecht, 1481 tot 1484.
[2] In de Universiteitsbibliotheek Utrecht Hs 685, folio 266b, bevindt zich een ongedateerde, latere kopie van dit verdrag: ‘Copia concordiae [co…te] inter ducem austriae et civitatem traiectensem.’ Afschrift van een verdrag tussen de hertog van Oostenrijk en de stad Utrecht.
Akte van Maximiliaan

Maximiliaen byder gracie godes hertoge van oisteryc van bourgoingne van Lotharingen van brabant van lymborch van luxemburg ende van gelre. Greue van vlaendren van
artoies van bourgoingnen . Palatin van henegouwe van hollant van zeelant van Namen ende van zuytphen . Marcgraue des heilichs Rycx heer van vrieslant van
salines ende van mechelen . Allen onsen stedehouden capiteinen van luyden van oirlogen te perde ende te voet Amptluyden Richteren officieren hueren stedehouden
dienrten Ind onderzaten van allen onsen landen ende heerlichheden dien dese onse brieuen getoont zullen werden saluut . Wy doen v te weten dat wy die
twee vriende deses hertoge van cleue te wetene broeder Willem franck mynre broeder Ind exin van deser voirseide hertoge van cleue scryuere gegeuen hebben
Ind geuen ouermits desen brief gued vaste veylicheyt Ind geleyde om te mogen comen In onsen stat vander goude by onsen neue, Engelbert broeder tot
cleue ende mit hem te sprekene ende communicacie te haldene Int openbaer Ind Int heymelic, aldair te wesen ende wederom In huer gewairsam te comen te
watre Ind te lande te perde te scepen of te wagen woe dat hemlieden belieuen sal vrij veylich Ind ongelet vur onss Ind die mit ons te velde liggen Ind
voort voir ons onse lande luyde onderseten toestenderen Ind adherenten Ind die sich mit ons off van onser syden Ind onwill tegen den vurseide hertoge van cleue
of die syne gemengt hedden off mengeren werdden Ind voirt voer aler mallick ongenerlich Ind der wy sonder airgelist moygich Ind mechtich syn
Ingaende op huyden datum diss briefz te sonne opganck Ind durende toten twaelfsten dage der maent augusty eerstcomende alle dien dach duere
tot sonnen onderganck . Ind voirt maken wij ons mechtich ouermitz desen seluen brief soe onse lieue neue bisscop tot vtrecht nv sijns selfs
met en Is dat niet te min die voirseid onse neue van Cleuen twee vriende mede vur den seluen bisscop Ind voir syne amptluyden dienren onderzanen
hulperen . ende toestenderen ind die sich van oerer wegen off [vub?] oen will In die vede gemengt hedden off mengen wurden veylich Ind geleyt zyn
zullen tot Ind op Ind oick weder vanden stadt vurseid bis de vurgende In huer gewairsam te komen Ind is oick vurwerde off ymant vanden vurglicke luyden yetz wairs
dede off voir sych neme, dairmede hy syn geleyde verbrekt dat die doe alleyne syn vair staen sall Ind niet die anderen . weren oick enige andere aidgrepe
arch off gewalt geschiet of binnen tyt dezes geleyde geschegen van eeniger syden dat allet en sal an desen geleyde Ind veilicheyt oick geenen
hinder noch Indracht maken Ind allet ongenerlich ind sonder argelist . Gegeuen In onsen heer voir der stat vtrecht Onder onsen name
ende signet verwapent mit onsen wapene In absency van onsen syegell den lesten dach van Julio . Int Jaer ons heeren duust vierhondert
drie ende tachtentich
[NM?]
Onsen mijnen heere den hertoghe
Onse [ auradot ?]
Maximiliaan, bij de gratie Gods hertog van Oostenrijk, van Bourgondië, van Lotharingen, Brabant, Limburg, Luxemburg en Gelre, graaf van Vlaanderen, Artesië en Bourgondië, paltsgraaf van Henegouwen, van Holland, Zeeland, Namen en Zutphen, markgraaf van het Heilige Rijk, heer van Friesland, Salins en Mechelen.
Aan al onze stadhouders, aanvoerders van krijgslieden te paard en te voet, ambtenaren, rechters, officieren, hun plaatsvervangers, dienaren en onderdanen in al onze landen en heerlijkheden aan wie onze brieven getoond zullen worden, gegroet.
Wij laten u weten dat wij de twee vrienden van de hertog van Kleef, namelijk broeder Willem Franck, minderbroeder, en verder de klerk van de hiervoor genoemde hertog van Kleef een brief hebben meegegeven.
Door middel van deze brief geven we gegarandeerde veiligheid en vrijgeleide om in Gouda te mogen komen bij onze neef Engelbert, broeder te Kleef, en met hem te spreken en te overleggen, zowel in het openbaar als in beslotenheid; daar te verblijven en weer vrij en ongehinderd terug te keren via water of land, te paard, per schip of per wagen, waar zij ook maar naartoe willen.
Aan deze vrijgeleide moeten wij en zij die met ons te velde liggen gevolg geven en dit geldt ook voor onze landslieden, onderdanen, betrokkenen en aanhangers en ook voor degenen aan onze zijde en degenen die tegen hun wil tegen de hertog van Kleef in verzet zijn of zullen zijn. En verder voor hen over wie wij zonder kwader trouw zeggenschap hebben.
Deze brief gaat in vanaf heden bij zonsopgang en geldt tot 12 augustus aanstaande, elke dag tot zonsondergang.
En wij verklaren nadrukkelijk door middel van deze brief dat onze lieve neef, bisschop van Utrecht, die onder mijn gezag staat, niettemin deze vrijgeleide aan de twee vrienden van onze neef van Kleef heeft gegeven, voor zichzelf, voor zijn ambtenaren, dienaren, onderdanen, helpers en aanhangers.
En dat zij die zich van hun kant onvrijwillig in de strijd hebben gemengd of zich zullen mengen, veilig en onder begeleiding weer terug kunnen keren uit de hiervoor genoemde stad.
Het is ook verboden dat iemand van de genoemde lieden iets onderneemt waarmee hij een einde maakt aan zijn vrijgeleide waardoor zijn bescherming opgeheven wordt en de anderen er door geraakt worden.
Mocht er ook enige aanval of kwaad of geweld plaatsvinden tijdens de duur van deze vrijgeleide van welke kant dan ook, dan mag dat alles aan deze vrijgeleide en aan de veiligheid geen afbreuk doen. Alles moet oprecht en eerlijk verlopen.
Gegeven in onze Heer voor Utrecht, uit onze naam en ondertekend met ons wapen zonder onze zegel, op de laatste dag van juli in het jaar van onze Heer 1483.
[NM?]
Onze heer, de hertog
[……?]

