Petrus Scriverius ofwel Pieter Schrijver (Amsterdam 1576-Oudewater 1660) studeerde in Leiden, rechten en later geschiedenis en klassieke letteren.

Hij was oudheidkundige en heeft uitgaven verzorgd van verschillende klassieke schrijvers waaronder Seneca en Martialis. Ook schreef hij verhandelingen over de Bataven en de graven van Holland. Verder bundelde en verspreidde hij werk van tijdgenoten, zoals het Geestigh liedt-boecxken van Bredero. Hij behoorde tot de remonstranten. Blind geworden ging hij wonen bij zijn zoon die baljuw was in Oudewater. Daar overleed hij in 1660. Hij werd met grote eer begraven in de Hooglandse kerk in Leiden.

Een van zijn gedichten, een lofdicht op Gouda, heeft Walvis opgenomen in zijn werk over Gouda, in het Twaelfde Hoofdstuk (pagina 224-225):
Goudsche Geleerde Mannen. Schriverius Lof-digt der Goudsche Schrijvers. Hun algemeenen naem rol.

Hieronder ziet u links de foto's van de Latijnse tekst in Walvis. Aan de rechterkant staat de vertaling met de noten. Deze vertaling is gemaakt door de Latijnse groep van Gouda op Schrift.

224

Walvis_224



Goudse geleerde mannen.   Scriverius Lofdicht over Goudse schrijvers, hun algemene namenlijst.

Gouda, hoewel geen van de oudste of grootste Hollandse steden, hoeft echter voor weinig oude en grote steden onder te doen voor wat betreft het voortbrengen van geletterden, in alle talen, en geleerden, in alle wetenschappen. Als ik een namenlijst van deze mannen op volgorde van eeuwen en jaren opstel, valt mij in handen het Lofdicht van de vermaarde Scriverius dat hij tot zijn eigen glorie geschreven heeft.


Ik zou, Gouda, uw edelen van Hollands bloed, de stichters van uw stad en de bouwers van uw kasteel kunnen beschrijven.
Ik zou kunnen verhalen over de graven van Blois, over de zalige as van hun voorvaderen die in de marmeren boezem van een openbare grafurn[1] is bijgezet, over hun uitvaart en over lang vervlogen tijden, toen de nobele ridder van Cats[2] geëerd werd, toen de Prins de omringende akkers aan u toewees en de machtige IJssel uw huisgoden omspoelde.
Ik zou uw heilige gebouwen kunnen bezingen en de enorme omvang van de kerk, uw tuinen en de vele morgens vruchtbare grond, de markt, de havengelden, die oude rechten waarvan je zou denken dat Moordrecht helemaal geen rechten heeft gehad.[3]
Ook uw geweven stoffen, die kunnen wedijveren met het Leidse laken, en de wandtapijten die als door de hand van Apelles[4] worden geweven.
Maar het gaat mij niet om wevers, noch om rijkdommen, noch om al het andere. De beroemde namen van geleerden zijn mij meer waard.
Onder hen is Cornelius Aurelius, genoemd naar zijn ‘gouden’ vaderstad,[5] beroemd om de lauwerkrans die hij van de Keizer kreeg.[6]
En Henricus[7], de eerste ster van dit heilige gezelschap, die ooit de universiteit van de Palts glans verleende.
Een van hen is Willem, de vriend van de onsterfelijke Erasmus, ik bedoel de grote Willem Hermansz[8], Gouda, uw dichter.

 

[1] In de Sint Jan, in de zogeheten IJzeren kapel. In de kerk zijn hiervan geen sporen meer zichtbaar.
[2] In 1272 krijgt Nicolaas van Cats van Floris V de stadsvrijheid van Gouda. Hij wordt daarmee heer van Gouda.
[3] Kort na 1300 verplaatsten de graven van Holland de tol van Moordrecht naar Gouda.
[4] Apelles, beroemde Griekse schilder uit de oudheid.
[5] Cornelius Aurelius (ca. 1460-1531) humanist, correspondeerde met de belangrijkste geleerden van zijn tijd, onder wie Erasmus. Hij noemde zichzelf Aurelius = van Gouda, aurum = goud.
[6] Ontving in 1508 van keizer Maximiliaan de lauwerkrans voor zijn dichtwerken.
[7] Henricus Goudanus, 1e helft van de 15e eeuw, hoogleraar in Heidelberg.
[8] Willem Hermansz (ca. 1466-1510) behoorde tot de kring van Goudse humanisten waartoe ook Erasmus behoorde.