In de grafschriften voor Bertha van Heyen laat Erasmus de grafsteen de toevallige voorbijganger toespreken, een aanpak die ook door de Romeinen werd gebruikt.

De jeugdgedichten en grafschriften waarvan wordt aangenomen, dat Erasmus die in zijn Goudse periode geschreven heeft, zijn te vinden in twee handschriften. Het ene handschrift bevindt zich in het Streekarchief Midden-Holland in Gouda (SAMH, signatuuur 2316 F 5), het andere in de Universiteitsbibliotheek in Tilburg (signatuur KHS D 141). De beide grafschriften zijn afkomstig uit het Tilburgse handschrift, de vier jeugdgedichten uit het Goudse handschrift.

Het Erasmus Genootschap Gouda, de Drukkerswerkplaats en de werkgroep Latijn van Gouda op Schrift hebben gezamenlijk het boekje 'U die hierlangs loopt, sta stil en lees deze verzen' tot stand gebracht waarin naast onderstaande grafschriften voor Bertha van Heyen de jeugdgedichten van Erasmus zijn opgenomen. Dit boekje werd gepubliceerd aan de vooravond van de tentoonstelling 'Erasmus: ik wijk voor niemand' in 2016 in Museum Gouda.

Bertha van Heyen was de weduwe van Baert Jan Heyen, lid van een belangrijke Goudse familie - zij leverden o.a. twee burgemeesters. Na de dood van haar man wijdde zij zich aan liefdadigheid, zat in het bestuur van het gasthuis en ontving Erasmus en zijn medebroeders als ze in Gouda waren bij haar thuis (Westhaven 11). Zij zette hen een voedzame maaltijd voor en hoopte dat zijzelf en haar kinderen geestelijk profijt zouden hebben van de gesprekken aan tafel. Erasmus was wees en zij was misschien wel een tweede moeder voor hem.