Dialogen 37-48 Vissen en reptielen

41v

¶Van dat meerswijn ende den ael ¶ Dyalogus xxxvij
L041v 1
DElphin is een visch in die zee die als hi der menschen
stemmen hoort daer nae volget ende als si soet ghe
luyt hooren vergaderen si veel bi een . Jnder zee en is
niet cloecker ende vlugger dan dat meer swijn is want hi som=
wilen also weldelic springhet dat hi die scepen ouer springhet
Ende wanneer si springhen ende veel spuls in die zee maken dat is
een teyken datter grote tempeest ende onweder na volghen wil
Men vint oec in dat grote vloet nilus sommighe meerswinen die
opten rugghe scarp sijn oft yser waer dye die veruaerlike co=
codrillen in dat dun vanden buuck steken ende dooden¶ Dit
meerswijn vandt op een tijt in dye zee een ael . ende woudese
vanghen ende beheren Ende hi vattede den ael dicwijl om dat
hi en vanghen ende verdriuen woude . Mer want die ael glat
was soe en mocht hijs nyet houden alsoe dat hy seer droeuich
daer om was ende gaf dye weer . Die ael hadde sijn iock myt
hem ende woude hem bedrieghen ende seydeO meerswijn die
een groot wonderlick visch biste het yamert my dattu dy seer
vermoyste ende bedruct bist dattu na mi lopende mi niet hou
den en moghestMer doch ist al om niet dattu arbeydes want
in diep van die zee en mogheste mi doch niet vangenMer gaet
mit mi int broeck ende inden droghen sloet daer saltu mi heb
ben ende houden tot dinen wilDat sotte meerswijn om sine gul
siche begheerlicheyt ghinc mitten ael om dat hise vangen moch=

De 37e dialoog. Over de dolfijn en de aal
L041v 1
De dolfijn is een zeevis die mensenstemmen volgt zodra hij ze hoort. Als ze een zacht geluid horen, komen er veel naar elkaar toe. In de zee is geen vis behendiger en vlugger dan de dolfijn want hij springt soms met enorme sprongen over de schepen heen. Als zij springen en veel plezier in de zee hebben, dan is dat een teken dat er een zware storm en onweer op komst is.
Men vindt in de grote rivier de Nijl sommige dolfijnen die een scherpe rugvin hebben, alsof hij van ijzer is. Zij steken gevaarlijke krokodillen in het weke deel van hun buik en doden ze.
Er was eens een dolfijn die in de zee een aal vond. Hij wilde deze vangen en aan zich onderwerpen. Hij probeerde keer op keer de aal te vangen om hem te doden. Omdat de aal zo glad was, kon hij hem niet vasthouden en moest hij hem laten gaan. Daar was hij erg verdrietig over.
De aal had zijn streken en wilde hem bedriegen. Hij zei: “O dolfijn, je bent zo groot en wonderbaarlijk. Ik vind het jammer dat je zeer vermoeid en bedroefd bent, dat je mij achterna zit en niet vasthouden kan. Dat is allemaal werk voor niets want in de diepe zee kun je mij toch niet vangen. Ga met mij mee naar het moeras en het droge deel van de sloot. Daar kun je met me doen wat je wilt.”
De domme dolfijn ging uit gulzigheid met de aal mee zodat hij hem kon vangen