Tucht-huys

In 1612 was de feestelijke opening van het nieuwe tuchthuis te Gouda. Voor die gelegenheid werd een toneelstuk geschreven en opgevoerd.

Hieruit werd duidelijk dat de bewoners van het tuchthuis werden klaargestoomd om in de maatschappij te kunnen terug keren. Als auteur wordt vermeld: Jan J. de Vennip, Schoolmeester in het H. Geesthuis, te Gouda.

Dit gedrukte werk Kort berecht vant Tucht-huys wordt bewaard in de Leidse universiteitsbibliotheek onder signatuur 1208 B 19. De fotokopieën en scans van de tekst zijn afkomstig van een microfiche van het exemplaar in de Universiteitsbibliotheek Leiden (Leiden UB 1308 B 19). We hopen in de toekomst een betere afdruk te kunnen maken.

Ook bij de Koninklijke Bibliotheek is een exemplaar aanwezig (504 A 32). De tekst is ook aanwezig in Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren (DBNL) [A] (fol. D3v vzn. 179-186).

Bladerboek van Kort berecht vant Tucht-huys

Kort berecht vant Tucht-huys, tekst

  • Voorwerk
  • De korte les over het tuchthuis
  • Het tafelspel

1r

Kort berecht,
Vant
tvcht-hvys
Tot onderwijs / vermaninghe ende
waerschouwinghe / van alle onbedochte
Joncheyt.

Mitsgaders / noch van meest elc Mensch
Tucht-huys, het welc gheleghen is in s'Menschen
Handel / Neringh / en Arbeyt / daer hem elc van Joncx op
in behoort te oeffenen / stichtich / ende
kluchtich om Lesen.

Noch een Esbatement-Speelken, mede tot onderwysin-
ghe van de Joncheyt. By een ghevoecht en op
Dicht ghestelt:
Door
Ian I. De Vennip,
School-meester int H.Geest-huys, Ter Goude.

Proverbia. 1. versus. 10.
Myn Sone wanneer u de boose Boeven locken.
Soo en volcht haer niet.

Buycht Den Riis Groen.

Tot Rotterdam,
By Gillis Pietersz. Opt Steygher/
inden Enghel. Anno / 1611.

Korte les
over het
tuchthuis
tot onderricht, vermaning en
waarschuwing van alle onnadenkende
jongeren.

En bovendien een les over het tuchthuis van Iedereen,
dat te vinden is
in het handelen, de nering en de arbeid van de mens, waarin iedereen van jongs af aan
behoort te oefenen; een les die stichtelijk en
vermakelijk is om te lezen.

Met nog een korte klucht, tot onderricht
van de jeugd. Samengesteld en op
rijm gezet
door
Jan J. de Vennip,
schoolmeester in het Heilige Geesthuis te Gouda.

Spreuken 1 vers 10:
‘Mijn zoon, wanneer de zondaars u verleiden,
volg ze dan niet.’

Buig de jonge twijg.

In Rotterdam,
door Gillis Pietersz Opt Steiger
in De Engel. Anno 1611.

3v

Hier beghint het kort Berecht/ vant
Tucht-huys.

DOch al eer ic meest elcx Tucht-huys ga verhalen/
D’welc is elcx beroep in Neringhe / Handel en Arbeyt
Daer Godt den Mensch me gaet Tuchtigen/ om niet te falen/
In noot-druftighe dinghen / daer den Lichaem veel aen leyt/
Soo dient eerst wel verhaelt met claer bescheyt/
Van de principael Tucht-huysen / ghemaect voor den Vrees’loosen
Ghesticht door voorsichtighen raet van ons Overheyt/
Om met een sachtmoedighe straffe te bedwinghen den boosen/
Want die boven de mate na volcht den broosen
En haer altijt stellen als onredelijcke Dominateurs/
Straffe is de zulcke beter/ als Ghelt inde Beurs.

MEt recht comt haer eere toe / tot allen uren/
Die alsulcke Tuchtinghe soo hebben bedacht/
Als t’ Amsterdam / te Haerlem / en binnen de Goutsche mueren
Al reede seer Loffeli[c]k is te weghe ghebracht
De Heere wil haer verstercken met een Godlij[c]ke cracht/
Die zulc een werc hebben ghenomen byder hande/
En diet noch moghen nemen / t’zy by da[c]h ofte nacht
Om de Rebellije te doen minderen inden Lande
Want die luttel acht op eer ofte schande/
En niet bedwinghen en can syn eyghen boos ghemoet/
Tis dan van noode datter een ander doet.

AEnghesien datmen selden beteringhe can bemercken/
Aen den misdadighen die ghestraft worden int openbaer/
Door Justitie / soo ’t wel blijckt op veel percken
Het zy met Roeden / Teyckens / ofte Bannissementen swaer
Maer gaen meest al den zelven ganc voorwaer/
En men bevint dicwils datter sommighe zijn ghecomen/
Van goede Ouders / die dan wel gaern sien eenpaer
Dat haer kinderen in Tuchts bewaringh werden ghenomen/
Want die int wilde blijft loopen sonder schromen
Komt dicwils tot swaerder straffe / door veel quaet ancleefs/
Want d’Overheyt en draecht het swaert niet te vergheefs.

Hier begint de korte les over het tuchthuis

Later ga ik het hebben over het tuchthuis van Iedereen,
wat iedereen moet doen in nering, handel en arbeid,
waarmee God de mens gaat tuchtigen, opdat hij niet te kort komt
aan noodzakelijke dingen die het lichaam hard nodig heeft.
Maar eerst moet ik het in alle duidelijkheid hebben
over de echte tuchthuizen, gemaakt voor de onverschilligen,
met een vooruitziende blik gesticht door onze overheid
om de slechteriken met een milde straf in toom te houden.
Want die volgen bovenmatig de zwakkelingen na
en gedragen zich altijd als domme opscheppers.
Straf is voor hen beter dan geld op zak.

Zij die zo’n tuchtiging hebben bedacht
verdienen met recht alle eer
voor wat in Amsterdam, in Haarlem en binnen de muren van Gouda
al voortreffelijk tot stand is gebracht.
De Heer zal hen sterken met goddelijke kracht
die zo’n werk ter hand hebben genomen
en het – hoop ik – dag en nacht blijven doen.
Zij doen dat om het verzet tegen het gezag in het land te doen afnemen.
Want als iemand weinig geeft om eer of schande
en zijn eigen kwade inborst niet kan bedwingen,
dan is het noodzakelijk dat een ander het doet.

Men kan zelden beterschap zien
bij de misdadigers die in het openbaar gestraft worden
door de justitie, zoals op veel plaatsen duidelijk blijkt.
Of ze nu gestraft worden met geselingen, verminkingen of langdurige verbanningen,
ze gaan allemaal op dezelfde voet voort.
Ook ziet men vaak dat sommigen kinderen zijn
van goede ouders, die dan ook allemaal graag zien
dat hun kinderen aan een streng gezag worden onderworpen.
Want wie zonder schaamte losbandig blijft leven
krijgt dikwijls een zwaardere straf, doordat hij veel kwaad doet,
want de overheid draagt het zwaard niet tevergeefs.

11v

TAFEL-SPEL,

Van vier Personagien

Te vveten.

Goet Onder-wys een statich Man,
Onbedochte Ioncheyt een fraey Ionghelinck,
Onbedwonghen Lust, een Cierlicke Vrouwe,
Straffe Godts een Enghel.

Onbedochte Ioncheyt.

HEy nu ist recht den tijt om Triumpheren/
Princepael voor jonghe Luyden / als ic en mijns ghelijcke/
Mijn hert is ghenegen om vreucht te hanteren
Hey nu ist recht den tijt om Triumpheren/
Met goet gheselschap die haer connen generen/
Onder Venus Camenieren / met geestige Practijcke/
Hey nu ist recht / etc.
Princepael voor jonghe Luyden als ic en mijns ghelijcke.

Goet Onderwys.

Maer Onbedochte Joncheyt / wat ghy doet en slaet doch geen swijcke/
Mijn Leeringhe daer ic u in heb onder-wesen/
Op dat ghy deuchdelick meucht wandelen onder Arm en Rijcke/